Biografie van Hilde Pinnoo (schuilnaam: Martin Gale)

Hilde Pinnoo (Brussel, 1962) woont in Dilbeek en werkt in de financiële sector.Ze studeerde theologie en toegepaste economie aan de K.U. Leuven en houdt er een voorliefde voor spanningsvelden aan over: tussen wachten en weggaan, tussen liefhebben en verliezen, tussen zwijgen en schrijven. Omdat daar, op het scherp van de snee, pas echt geleefd en – dus - gedicht kan worden. Hilde Pinnoo nam deel aan internationale poëzie-festivals in Struga (Macedonië) en in Granada (Nicaragua) en haar gedichten verschenen in Deus ex Machina, Krakatau, Schoon Schip, Kunsttijdschrift Vlaanderen, Kreatief en Gierik/NVT. Uitgeverij P (Leuven) heeft 3 dichtbundels van haar hand uitgegeven: ‘Dichter dan mist’ (2005), ‘Zonder testament’ (2008) en ‘De gevoelige plaat’ (2013). Haar gedichten werden gebloemleesd in o.a. ‘Hotel New Flandres’ en ‘De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2015’.
2019
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    126

    Een stortvloed van rozen

    1e ronde
    Als een stortvloed van rozen stroomden we
    over doordeweekse wegen naar zee,
    waaierden uit over het strand, gilden
    elkaar vooruit tot het smoezelige kantwerk
     
    van zand en golven. Meeuwen waren we,
    witte vogels die doken en riepen,
    altijd landinwaarts getrokken alsof
    het storm op zee was en niet alleen
     
    in onze hoofden, onze lachende voeten –
    een golf van louter meisjes die weergaloos
    uit de duinen stroomden, brandend,
    dansend.
     
    Toen kwamen de jongens.
     
    Vanop de zijlijn van zoveel schaterend
    geluk keken ze toe als haaien,
    met ogen die verslonden
    wat ze nog niet konden zien.
     
    Dichter dan verwacht kwamen ze,
    fluitend langs het pad van hun goed
    fatsoen, handen in de zakken, hun
    glimlach argeloos en bijna echt.
     
    Nadien zeurde in onze pezen de stille pijn
    nog na als een deur in roestige hengsels.
    Veel onschuld ging verloren die dag en nooit
    vond iemand er een spaander van terug.
  • 2
    136

    Ieder zijn hemel

    Top 100
    Ze liepen, elk onder hun eigen hemel – hoog,
    bleek, roerloos – en groeiden steeds kleiner,
    hun passen werden trager, hun ogen klapten
     
    dicht. Een godvergeten vlakte en niemand
    om te oordelen, niemand die durfde
    te lachen. Ze liepen het duinpad af
     
    tot aan de zee en dan de hele weg             
    terug. Hun hemels namen ze weer mee
    naar hun kamers en zalen, hun kapel.

     
                                Vandaag kom ik op bezoek maar ze zijn er
                                niet meer. Er zijn alleen overschotten
                                achtergebleven: miljoenen huidschilfers,
                                iets zachts onder de plankenvloer,
                                een raar soort licht.                  
     
     
                                                            Er is een weiland met een muur
                                                            eromheen. Een gedenkplaat
                                                            verraadt wanneer en wie, niet hoe.
                                                            Uit de oude bakstenen verrijst
                                                            een kubus van verweerde paniek.
     
                                                            Hier zijn nooit zerken geweest,
                                                            alleen een stilte die al jaren jankt
                                                            van verdoemenis, een kilte die kolkt
                                                            van ontbinding, aarde gebreid uit
                                                            in de knoop geraakte botten.
     
                                Ik krijg geen voet meer voor de andere,
                                ze grijpen naar mijn heupen. Een vage
                                bries stijgt op uit de diepte, dartelt
                                tussen huid en kleren,  tilt ieder haartje op,
                                schaamt langs mijn lippen, verdwijnt.
  • 3
    137

    Het mooiste wachten

    Top 1000
    Nooit was er iemand die zo mooi kon wachten
    als wij, met weerloos korte nagels en waaiende
    handen – nog even oefenen voor straks – en stevig
     
    verankerd in tanige opperhuid. Alles blijft
    op een plaats waar de wind aan kan zodat er kans is
    tot drogen – we willen geen natte handen hier.
     
    Het land, dat wij het onze noemen, zal andere
    talen leren of onverzoenbaar zwijgen, en stilaan
    zullen de wilde dieren komen, een schedel
     
    zal hun drinkplaats zijn. Het is slechts een kwestie
    van tijd en daarvan hebben we genoeg. Geduld
    heeft er niets mee te maken, het gaat veeleer
     
    om de schoonheid van een schaduw,
    om de achterkant van wachten
    – niet op wat komt maar op wat weggaat.
  • 4
    1517

    We zwommen

    1e ronde
    We waren jong en we zwommen                                       
    ’s nachts. Een plek in het donker
    waar we samen bewogen in het zwarte
    water, toen we nog dachten dat we konden
    kiezen – wie we niet wilden worden
    en waar we nooit wilden gaan. We leefden
    hand in vuist – er hing een goddeloos
    geweld om alles heen en wij mochten
    alles vergeten.
     
    Maar mij is dat vergeten nooit
    gelukt. Het duister van het water
    roept me telkens terug en telkens
    ga ik weer weg. Weg van deze rotsen
    die alleen zichzelf bewonen.
     
    Hier hangen oude zielen in de lucht
    die elke voorbijganger in de rug
    spuwen. Niemand kijkt achterom.
    Hier is geen toevlucht.
    Hier is het nooit dag. 
  • 5
    1540

    Oplosmoeder

    Top 1000
    Haar sterkste kant is vergeten
    en vergeten worden. Ze vervaagt steeds
    dieper in zichzelf, tot zelfs de nacht
    haar niet meer vindt. Er zijn dagen 
     
    dat ze in niemands herinnering nog plaats
    neemt – haar zoon is bij haar, vangt haar
    woorden op en geeft haar de zijne
    in ruil, maar ze loopt als water door
     
    hem heen. Ze zou een rookwolk
    kunnen zijn die oplost in onbekende
    luchten, zich laat verwaaien tot
     
    ze amper bestaat. We moeten zorgzaam
    met haar zijn. Niet omdat ze breekbaar
    is maar omdat ze er ook ineens
     
    niet meer kan zijn, terwijl wij haar nog
    in onze armen houden. Of minstens          
    doen alsof dat nog kan.
  • 6
    1543

    Het middagplein

    1e ronde
    Ik ben de koning
    die een koningin wou
    zijn, of omgekeerd misschien.
     
    Ik ben geen vrouw, geen man,
    ik ben ze allebei, ik ben ze
    allemaal, diegenen met een naam
     
    en nog meer diegenen zonder.
    Zij komen het vaakst
    beschutting zoeken
     
    onder mijn kruin, krassen
    hun hartjes in mijn schors,
    al ben ik geen boom maar
     
    het bos, het woud waar de zon
    nooit de bodem vindt,
    het struweel waarin verpieterde
     
    stammen hun wortels verloren.
    Twee jonge honden ben ik,
    een kennel vol blaffend
     
    verlangen naar samen spelen
    op een middagplein. Ik ben
    dat plein in de middagzon.
  • 7
    1598

    Bloed tegen bloed

    Top 1000
    I.
     
     
    Hij reikhalst haar dichter, wil haar terug                       
    slepen naar het land van de levenden,
    haar verlossen van een teveel
    aan verveling. Nu haar ziel zo zacht is,
     
    wil hij zijn afdruk achterlaten. Zijn sporen
    zullen haar de weg wijzen
    die ze keer op keer verliest.
     
     
     
     
    II.
     
     
    Alles lijkt hen te schuren, ze zijn een bundel
    pezen met gerafelde zenuwen,
    ze verslijten elkaar tot schrijnen,
    verwonderd hoe dun huid soms kan zijn,
     
    hoe dicht ze elkaar kunnen vinden, bloed
    tegen bloed. En hoe ze na afloop hun adem
    horen zingen in elkanders longen.
2017
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    10182

    Ze is

    1e ronde
    Ze is een wezen dat onder water
    leeft, een zilte stilte bevolkt
    en klanken meedraagt in een opalen
    schelp – ieder geluid voorbij, iedere
     
    behoefte aan lucht. Soms zwemmen we
    samen daar, onder haar zeespiegel,
    voor even binnen elkaars handbereik
    alsof we een baarmoeder delen. Tot
     
    ze me baart, me naar buiten stuwt
    en haar stilte weer opeist voor zichzelf,
    voor nieuwe schelpen – zonder
     
    iets te vragen, zonder te kijken
    of ik nog ergens ben, buiten haar
    schoot maar in het leven.
  • 2
    10197

    Onleesbaar lichaam

    Top 1000
    Zo lusteloos als een lijf
    kan worden, toevlucht zoekt
    in de donkerste bossen, om weg                     
    te zijn, om te zijn. Er zijn plekken
     
    waar niets te doen is, niets
    te maken of te breken, waar
    blindheid moet volstaan. Zo’n plek
    ben ik geworden – hier
     
    in mijn schoot trekt oude aarde
    samen, valt elke stroming
    stil als water zonder verval.
    Ik voel het gisten van              
     
    toekomsten in mijn buik,
    de schim van een kind,
    de avond die zwart en open
    door mij stroomt, in en uit.
  • 3
    10225

    Over het kijken naar een touw

    1e ronde
    De toekomst valt door het dak
    van mijn geest. Ik kijk op en zie
    een vlek regenlucht. Lucht wordt
    een touw. Er hangt iets aan
    een touw maar ik kan er niet bij.
    Ik kan alleen kijken. Krimpen
    zonder zien. Blijven kijken.
     
    Het kijkmoment.
     
    Nu hij is vertrokken maar nog
    niet weg. Zo weg als hij is niemand
    eerder gekomen. Ik kruip
    langs zijn blinde wanden.
     
    Hier wil ik niet zijn. Iets in mijn buik
    wil eruit. Ik niet, ik wil erin, ik wil
    een warmlijvig huis waar ik mijn ogen
    kan sluiten zonder te kijken.
  • 4
    10264

    Wurglucht

    1e ronde
    Het waren de stilste middagen, er werd
    niet gesproken. Iemand – we wisten wie
    maar wilden dat weten niet zien – duwde ons
     
    de kamer binnen, waar hij op ons
    wachtte. Hij keek ons zwijgend
    dichterbij en nog dichter, dichter.
     
    We hadden geen keuze, we hadden
    lucht nodig om ons bloed
    in leven te houden. Maar het enige
     
    wat we hadden om in te ademen
    was wat hij uitademde. En die lucht,                                     
    zijn tweedehands lucht, was ons verderf,
     
    het sloeg ons op de longen, vulde ons
    met stank en rook en het verlangen
    om nergens te mogen zijn.
  • 5
    10306

    Klif

    1e ronde
    We staan op de rand van de klif
    en we zijn de enigen. Er hangt
    mist en toch kijken we de verte in,
    naar een plek die er niet is.
     
    We maken zelf de tederste afstand
    die we kennen, de middenafstand,
    verwarrend en taai – een afstand
    van huid tot huid, die zich voor even
     
    laat oprekken, als de vloed
    ons bereikt. Maar de avond heeft ons
    ingehaald, afstanden uitgesmeerd
     
    over het water. We zijn niet meer
    de enigen, iedere verte duikt
    een andere diepte in.
2013
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    7970

    Godot

    1e ronde

    Hij staat te wachten aan de achterdeur,

    zonder te weten waarop – het einde

    van de regen of het begin van de nacht, een liefste

    die hij nog niet kent – het is een wachten

     

    van lange adem en lege espressokopjes,

    een oefening in geduld en Godot. Achter

    het raam scheert een meeuw voorbij

    en neemt zijn wachten mee, zijn onvermogen,

     

    zijn kleumende voeten. De wind draagt hem

    verder, hij wordt een hinkstapspringer

    met een propeller, die elke zweefstap oprekt

     

    tot barstens, seconden hamstert voor later

    alsof bij elkaar geveegde fracties

    ooit toekomst kunnen worden.

  • 2
    7971

    betere dagen

    1e ronde

    een klein advies voor als

    het nacht wordt en ik

    – weer eens – niet bij je ben.

     

    denk na voor je beslist

    wat te doen met dit raam

    in de tijd – gordijnen

    van inkt, een verveelde

    maan, hangende vragen.

     

    leg zorgvuldig een sluimer

    over je ogen, oogst onze dromen

    met een zeis van geblauwd

    staal en slaap alsof iemand

    heel de tijd naar je kijkt,

     

    in jezelf gerold als een klein

    dier, weerloos als ik

    op mijn betere dagen.

  • 3
    7973

    Priemseizoen

    Top 1000

    Herfst is iets dat nergens op rijmt,

    een seizoen dat niets anders

    verdraagt dan zichzelf, voor alles

    zijn eigen maatstaf geijkt. Hij haalt

     

    de dagen neertot ze ternauwernood           

    hun eigen licht kunnen dragen, als huid

    die krimpt in de kou. Het is

    het comateuze slapen van wie

     

    het einde is beloofd, de langste nachten

    op de rand van bed en afgrond.

    Nu en dan vraagt herfst zich af

     

    waarom geen enkel woord bij hem

    wil passen en regent zich bevend

    een elegie van lossend blad bijeen.

  • 4
    7974

    Stervende bomen

    1e ronde

    En zoveel scherper

    dan een vlijmend lemmet,

    dan het gillen van zwijnen

    op de rand van dood,

    dan de rauwe waarheid

     

    van verbeelding – is tijd

    die niet heelt maar verteert,

    het schrijnen naar binnen trekt

    en onderhuids verzweert.

     

    Er is geen remedie tegen

    spijt of tijd, alleen het trotse

    zwijgen van stervende

    bomen. Wie ten onder gaat,

    kan altijd nog kiezen hoe.

  • 5
    7975

    Komma

    1e ronde

    Ik heb gezocht naar woorden

    die mij niet vonden, barrevoets op

    een zandweg die niet kon aarden,

    een luchthaven zonder landingsbaan.

     

    Dat er taal moest komen, een pad

    weg uit de schaarste van alleen

    maar bomen - ik heb het door

    de melkweg geschreeuwd die als

     

    een gehemelte tegen mijn adem plakte,

    tot een schaamrode maan het janken

    overnam. Er is geen betekenis gebleven

     

    na het lawaai van krekels en verre

    honden. Alles van waarde zoemde

    zich dicht tot een komma in mijn keel.

  • 6
    7976

    Gemini

    1e ronde

    Ik heb het nooit met zoveel woorden

    durven denken maar naar het schijnt

    lijk ik op jou. Of soms zelfs jij

    op mij, één onbewaakt moment.

     

    Achter elke deur in mijn hoofd

    wachten nieuwe twijfels, die ik

    er niet heb geplant – toch voel ik

    hun wortels duwen tegen

     

    het beeld dat van jou is

    gebleven, bij gebrek aan luidop.

    Handen vol tijd zijn werkloos

     

    aan ons voorbijgegaan, al dragen we

    nog de sporen van elke lach

    die wij elkaar hebben aangedaan.

  • 7
    7980

    Op die dag

    1e ronde

    tel ik de nacht en wacht de deuren

    dicht, ontkleed de rouw tot een weg

    naar een huis, een dorp, een land.

     

    Kom bij me dan en deel dag en naam,

    blijf de plaats van enkelvoud

    en ruimte, laat me open als een raam.

     

    Dicht mij verten tegemoet, draag

    me op je rug op je lange reizen, herijk

    de afstand tussen mijn haard en jouw

    tijd. Ontwaak me, traag als de hardste

    winter, volg me voor één keer. Vind

    me en kom me halen, lief, op die dag.

  • 8
    9013

    Tijdslijn

    1e ronde

    Wij droegen onze namen als koorden,

    vezelig van een voltooid en vergeetbaar

    vroeger. Onschuld reikte niet verder

    dan de dagen van de maand, brokken

     

    van seizoenen, die we konden dragen

    met twee linkerhanden. Er kwam

    een oorlog en hij ging weer voorbij

    en nam iedere betekenis met zich mee,

     

    alsof hij zichzelf van onze tijdslijn wilde

    schrappen. In platgetreden karresporen

    lagen oude zekerheden uitgestrooid

    waarin niemand nog geloofde. Wij liepen

     

    de deur uit en keken verbaasd toe hoe

    niets nog veranderde. We namen

    het getouw weer op en telden ’s nachts

    de sterren die nog niet waren gevallen.