juryrapport

 Juryrapport van De Gedichtenwedstrijd 2021 

Eerst waren er 7.023. Toen waren er – met dank aan een voorjury van even ijverige als strenge lezers – nog maar 100. Uit wat zij al als de honderd mooiste gedichten van 2020 voor het voetlicht hadden gebracht, mochten wij als hoofdjury drie podiumwaardige gedichten kiezen. Dat moest ons lukken. Het algemene niveau van de honderd lag behoorlijk hoog, daar waren alle vijf juryleden het over eens.

Wat heeft de dichter in het absurde, ontregelende en onwezenlijke jaar 2020 beziggehouden? In elk geval niet de pandemie en de vergankelijkheid, als we op de verzen mogen afgaan. Slechts een handvol gedichten verwees naar de pandemie, waaronder enkele scherpe. ‘Evacuatie’ is daarvan een mooi voorbeeld: het pakt de angst en paniek van de coronacrisis en maakt er een afstandelijke, formele oproep van. Zo waren er niet veel: de jury werd, in tegenstelling tot wat ze had verwacht, juist overspoeld door nostalgie en jeugdherinneringen. Alsof de verstilde wereld de dichter heeft teruggeworpen op de eigen jeugd en op de plek die de ouders in het leven innemen.

De pandemie heeft wellicht wel z’n weerslag gehad op het kleinere blikveld van de dichter. De jury las over een ontredderd lam op de dijk, over een grootvader die zijn speculoos drie keer in de koffie doopt (‘vader, zoon, en karamel’, die regel alleen al is genoeg om je te laten glimlachen) en een vogeltje dat tegen het raam vliegt terwijl het lyrisch ik aan een gedicht schrijft om de werkelijkheid te spalken. Geen al te grote woorden, gevoelens of gedachten dit jaar, maar ook in het kleine kan drama zitten. Kijk bijvoorbeeld naar het dissociatieve gedicht ‘meer’, dat de metafoor van een Duitse herdershond vakkundig laat uitgroeien tot een dier op de achterbank, dat je al bijna in je nek voelt hijgen.

Een goede titel tilt het hele gedicht op, zoals de schrijvers van ‘Welkom in Nederlands’ of ‘Wij zijn geen afrondingsfout’ zich duidelijk bewust zijn. Nog zo’n fantastische titel, die we jullie niet wilden onthouden: ‘Waar iemand woont is ook maar een plek’, waarna ook in het gedicht enkele originele, ironische regels volgen, zoals ‘ik vroeg me vooral af of brandstichting/ juridisch een ander verhaal was’. De jury keek ook met een extra scherp oog naar slotregels, die het gedicht kunnen optillen of de lezer een trap na kunnen geven. Dat kan zachtjes, met het prachtige ‘de dagen groeien traag/ als vee dat graast en ongehinderd slaapt’, of ferm: ‘ik schrijf desondanks/ zei ik’.

Inhoudelijk had de jury wat meer lef, avontuur en originaliteit tussen de verzen willen aantreffen. Wat niet wegneemt dat zij na rijp en gloeiend beraad drie parels naar voren kan schuiven waarin iets opwindends gebeurt: met beelden, met de taal, met de vorm of met het metrum.

De jury over de top 3 

3e prijs:

‘Who wants to sleep in a city that never wakes up/ blinded by nostalgia?’ Nee, deze regels uit de ietwat obscure Arctic Monkeys-song Old Yellow Bricks (2007) komen niet uit het gedicht dat de derde prijs wint, maar de titel alludeert er wel op: ‘100 SONGS EVERY 2000’S KID WILL REMEMBER’. Bij een (tijdelijk) gebrek aan toekomst of een voldoening scheppend heden, is wenteling in nostalgie een logisch reflex. Geen inzending vatte de tijdgeest beter dan dit gedicht. In een losse, heerlijk imperfecte stream of consciousness­­­-stijl rakelt de dichter de ene anekdote na de andere op, van universeel tot hyperpersoonlijk. Elke anekdote zou een aflevering kunnen zijn in een door Netflix geproduceerde mumblecore-serie geregisseerd door Greta Gerwig. Het motief in de reeks: een protagonist die graag de illusie wil bewaren dat die het ooit per ongeluk ingeslikte ‘kindeke Jezus’ nog steeds in zich draagt, om zo lang mogelijk ‘heilig’ (onschuldig) te zijn. Die onschuld wordt brutaal doorbroken door een jongen die – zonder toestemming – op de haren van de protagonist klaarkomt. De dichter hanteert een speelse, humoristische toon om de soms grimmige binnenwereld van ontluikende jeugd en seksualiteit weer te geven en is daarbij niet bang om conventies te doorbreken. In het slotvers belandt alles op zijn plaats: ook al mikt de dichter niet op de emoties van de lezer, probeer in 2021 ‘hoe het einde van de zomer het ergste was wat kon gebeuren’ maar eens te lezen zonder weeïg te worden.

Elianne van Elderen (1997) studeert Creative Writing aan ArtEZ in Arnhem. In 2017-2018 nam ze deel aan het talentontwikkelingstraject van Tilt. Ze schrijft voornamelijk poëzie en korte verhalen, maar maakt ook beeldend werk.


‘100 SONGS EVERY 2000’S KID WILL REMEMBER’

Ik denk aan die keer dat de meisjes werden gerangschikt op risicofactor

En aan het buurthuis dat rook naar de zojuist aangezette verwarming

 

aan die keer dat ik per ongeluk het kindeke Jezus van de miniatuurkerststal inslikte

en hoe dat jaar zijn kribbetje leeg bleef omdat alle winkels zonder uitzondering

gesloten waren op zon-en feestdagen en aan hoe ik mezelf wijsmaakte dat zolang ik niet

zou kijken of het uit mij was gekomen, ik altijd iets heiligs in me zou hebben

 

aan wat we te bewijzen hadden en aan het stedelijk gymnasium

waar ik twee jongens met een liniaal achterin het fietsenhok zag verdwijnen

 

aan hoe ik de hechtingen in mijn lip na het trampoline-incident probeerde los te peuteren

en aan de koosnaampjes die mijn moeder me gaf om me klein te houden

 

aan de spijkerbroek waarin mijn knieën het dunst leken die ik droeg toen ik Justin ontmoette

en aan Maartje die me vertelde dat het de eerste keer wennen was maar het daarna alleen maar

mee zou vallen en aan hoe goed ik was in mijn ogen dicht houden en aan hoe ik hem vroeg

om niet in mijn haren klaar te komen en aan hoe hij dat toen toch deed en aan hoe hij niet geloofde

dat ik iets heiligs in me had en aan de laatste keer dat ik hem zag

 

aan dat ik op mijn mondeling Frans loog dat ik wiskunde ging studeren

omdat dat het enige was waarvan ik wist hoe ik het moest zeggen

 

aan de manieren waarop grootheidswaanzin en minderwaardigheidscomplex in elkaar pasten

en aan hoe het einde van de zomer het ergste was wat kon gebeuren

 

 2e prijs:

Op de tweede plaats staat een gedicht dat er door zijn vorm al meteen uitsprong: het was een van de weinige sonnetten die de top 100 haalde. In de beginzin van Chaos klinkt de echo door van Vasalis’ beroemde openingszin ‘Ik droomde dat ik langzaam leefde’ – alleen droomt de ik hier ‘dat er niets geregeld was’. Een ware nachtmerrie, waar we ons met z'n allen al een jaar in bevinden. Toch is dit gedicht geen coronagedicht, al is het wel een crisisgedicht, mogelijk zelfs een eindtijdgedicht. Sterren storten neer, gras is graniet geworden – en vanaf hier wordt het alleen nog maar surrealistischer. ‘De groen gewassen zon hing aan een tak’, zou dit gedicht over klimaatverandering gaan? Is de chaos het gevolg van een overstroming, die het resultaat is van jarenlang wegkijken en greenwashing? Wat zeker is, is dat de menselijke beschaving de ramp die zich in dit gedicht voltrekt niet overleeft. De kerk komt zoals we van haar gewend zijn in dit soort situaties met een schip op de proppen, maar geestdrift en religie lopen genadeloos op de klippen. Het is knap dat er na dit alles toch een zekere mate van catharsis plaatsvindt: of er nog iemand in leven is, is de vraag, maar te midden van de catastrofe is een standbeeld opgedoken dat het slagveld rustig lijkt gade te slaan en glimlacht.

Gerda Posthumus (1960) publiceerde inmiddels drie dichtbundels: Zeisend licht (2010), Deining rimpeling onderstroom (2015) en Niemand kent Vlieland (2016). Sinds mei 2013 is ze de eilanddichter van Vlieland, waar ze ook Slauerhoff-wandelingen organiseert.

 

Chaos

Ik droomde dat er niets geregeld was:
vanuit de ruimte stortten sterren neer
de zee werd plotseling een binnenmeer
waaraan wij zaten op granieten gras.

De groen gewassen zon hing aan een tak
jij vond haar rijp genoeg – een paardenkop
verscheen in wolken om een bomentop –
terwijl je reikte en de hemel brak.

Ondersteboven dreef een kerk, een schip
dat over zerken voer nadat het woord
de geestdrift had begraven. Overboord
geslagen sloeg het op een steile klip.

Maar leeft in jouw versteende glimlach voort
en rust in golven op je onderlip.

 

1e prijs:

Over Mummie raakte de jury niet uitgepraat: het is filmisch, spannend en raadselachtig, je zit er als lezer middenin, maar is die op het eerste gezicht ontoegankelijke vorm wel noodzakelijk? Ja, dat is hij. Mummie schetst het beeld van een ziekenhuisverblijf als de bijna buitenwereldse ervaring die het kan zijn voor zowel patiënt, bezoeker als medewerker. Het ziekenhuis is een plek waar de gewone tijd niet door lijkt te gaan. Waar grote emoties samengaan met banaliteit. Waar hoop en vrees een grote invloed hebben op je waarneming, die sowieso al continu wordt verstoord door piepjes, alarmsignalen en binnenlopende mensen. En waar het uitspreken wat in je hoofd omgaat niet altijd gepast wordt gevonden. De dichter van Mummie doet dat laatste wel. Vorm en inhoud reageren voortdurend op elkaar in dit onderkoelde drama. Het gedicht is heel beeldend. Bij sommige regels lijkt bijna een filmpje op te starten. Mummie combineert scherpe en bewust heel vage observaties. Met zijn voortdurende gedachtenpauzes en inbrekingen weerspiegelt het de haperende concentratiespanne die een ziekenhuisverblijf teweeg kan brengen. De dichter geeft zo een overtuigende weergave van een situatie waar velen van ons in terechtkomen en waar desondanks geen handleiding voor bestaat. In dit gedicht vond de jury wat het zocht: lef, avontuur en originaliteit. In Mummie gebeurt iets opwindends met beelden, met de taal en met de vorm – en daardoor ook met onze blik.

Sascha Beernaert (1975) volgde in 2016-2017 de opleiding van de SchrijversAcademie in Antwerpen. Hij publiceert al zo'n twintig jaar gedichten en korte verhalen, veelal online. In 2018 en 2019 bereikte hij met zijn poëzie de Top 100 van De Gedichtenwedstrijd.

 

Mummie

 

op weg naar de spoedafdeling
                            zag ik een meisje  met vreemde vingers

ze    stond   zwijgzaam naast
 het koffieapparaat   op het einde van de gang

toen ik   haar vroeg of er melk was loste ze zonder woorden
op 
      zoals de huid rond jouw   versleten botten in kamer  402

een vriendelijke bezoeker gaf mij
                                                        zijn laatste klontje suiker;

even later  kwam de nachtzuster met nog slechter      nieuws

om je niet te  laten schrikken dimde ik al  het licht
     in de   kamer
                   daarna dronken we zoutoplossingen uit een    lekkend infuus

er hing een dode mus met duimspijkers
     tegen het plafond
                            zijn veren waren zwarter dan de oneven bladzijden
                                                                                                            uit je krant

op de voorpagina   prijkte het woord   mummie in BLOKLETTERS
                      alle andere koppen   waren niet meer van   deze
                                                                                                           wereld 

volgens de  specialist was het een   kwestie van weken
             
   de man  die de vloer kwam boenen meende enkele   dagen

ik moest denken aan het  dove
                                                   meisje dat geen  koffie lust
           hoe haar  handen een    driehoek zijn wanneer ze naar  huis wil

nog voor er een dokter   aanwezig was kende ik het gebaar voor melk
     het leek een beetje
               op dat van doodgaan en een propere
                                                                                             gang