Juryrapport

De 107 dichtbundels die werden ingezonden voor De Grote Poëzieprijs 2021 tonen een diversiteit aan stemmen, stijlen en thema’s. We vinden het spannend dat niet één vorm of taal overheerst: lyrische bundels liggen zij aan zij met modernistische of experimentele. Opvallend is dat veel dichters in hun bundel de blik richten op het eigen innerlijke leven – daartegenover staan dichtbundels waarin we reisden door de stad, de natuur en de tijd. De diversiteit aan inzendingen wijst ons eens te meer op de bijzondere kwaliteit van het genre: poëzie biedt vele mogelijkheden om iets over het leven, de werkelijkheid en onszelf te zeggen.

Na het bestuderen van de 107 bundels merkten we ook iets anders op: niet alleen de thematiek, maar ook de kwaliteit van de bundels is radicaal divers. We lazen bundels die ons van onze stoel deden opveren, bijvoorbeeld door het taalplezier dat ervan afspat, de knappe compositie van een gedicht (of alle gedichten samen), het evenwicht tussen scherpzinnigheid en toegankelijkheid, of door een raak beeld dat de dichter op precies de goede plek heeft opgetekend. Andere bundels stelden ons teleur omdat de dichter niet kritisch genoeg is geweest, niet nauwkeurig genoeg met de taal of te gemakzuchtig in de beeldspraak. We zien dat de doorwrochte blik van een ervaren redacteur een significant verschil kan maken. En dan zijn er nog de bundels die we boeiend of fris vonden, krachtig of gedurfd, maar die omwille van onze plicht een keuze te maken helaas de longlist niet hebben bereikt.

De jury heeft elke ronde intensief beraad: eerst om tot een longlist te komen, daarna tot een shortlist van vijf bundels en tot slot om een winnaar te kiezen. Voordat we de winnaar bekendmaken, noemen we eerst nog eens de longlist en de shortlist. 

 

De longlist

Guillaume van Kreek Daey Ouwens (Wereldbibliotheek)

Schokbos van Annelie David (Uitgeverij Oevers)

De hazenklager van Paul Demets (De Bezige Bij)

De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan van Mattijs Deraedt (Poëziecentrum)

De bruidsvlucht van Annemarie Estor (Poëziecentrum)

Nederland in stukken van Maarten van der Graaff (Uitgeverij Pluim)

Rennen naar het einde van honger van Esther Jansma (Prometheus)

Veldwerk van Bernke Klein Zandvoort (Querido)

Vissenschild van Liesbeth Lagemaat (Wereldbibliotheek)

& rol door van K. Michel (Atlas Contact)

Precieuze mechanieken van Erwin Mortier (De Bezige Bij)

In het vlees van Roelof ten Napel (Hollands Diep)

Wie was ik van Alfred Schaffer (De Bezige Bij)

Het stad in mij van Maud Vanhauwaert (Das Mag)

Big data van Anne Vegter (Querido)

Joodse gedichten van Nachoem M. Wijnberg (Uitgeverij Pluim)

 

De shortlist

Dit zijn de vijf dichtbundels en dichters die zijn genomineerd voor De Grote Poëzieprijs 2021. 

De hazenklager van Paul Demets (De Bezige Bij)

In deze bezwerende ode aan de natuur in al haar schoonheid en geweld vervagen de grenzen tussen natuur, mens, dier en omgeving volledig. In zeven cycli beschrijft Demets natuurlijke en sociale processen zoals zoönosen: infectieziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Het levert een kritisch en persoonlijk verhaal op over het klimaat en de mens. De goed doordachte filosofische theorie die daaraan ten grondslag ligt wordt nergens pretentieus en slaagt erin de lezer aan te zetten tot denken. De hazenklager ontroert door de beeldende details en toegankelijke lyriek, is meeslepend en evenwichtig. Vakkundig en beheerst neemt de dichter zijn lezers mee in zijn hybride wereld, waar al snel blijkt dat het natuurlijke en menselijke één zijn geworden. Op meesterlijke wijze heeft Paul Demets het begrip natuurlyriek gemoderniseerd en relevant gemaakt voor nu.

 

De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan van Mattijs Deraedt (Poëziecentrum)

De debuutbundel De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan van Mattijs Deraedt is origineel, beeldend scherp en inhoudelijk spannend. Deze jonge dichter is een man van zijn tijd. Hoewel een man? Dat is wat hij weet dat hij is, zoals hij zich voelt, maar in zijn gedichten is het juist dit onderwerp waarop hij zich oriënteert en heroriënteert, daartoe aangejaagd door de tijd waarin hij opgroeit, waarin vrouwen hun plek opeisen en gelijkwaardigheid ten opzichte van de man bevechten. Deraedt verzet zich niet tegen die emancipatoire beweging, maar ondertussen blijft de man in hem de kop opsteken, want, zo dicht hij in ‘Schedel’: ‘Ik wou dat ik je kon opbellen/ en vertellen waarover ik heb gedroomd./ Maar dat doen mannen niet.’ Maar ook de frisheid van zijn beelden en zijn taalmuzikaliteit vallen op. De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan toont dat Deraedt alles lijkt te kunnen. Een dichter treedt uit de schaduw.

 

Veldwerk van Bernke Klein Zandvoort (Querido)

Als het de taak van de kunst is om mensen beter te leren kijken, dan is de poëzie van Bernke Klein Zandvoort Kunst met een grote K. In Veldwerk toont zij zich een meester in de observatie. Bij Klein Zandvoort kunnen de kleinste details in een mensenleven, in een landschap, in een sterrenhemel tot ragfijne associaties leiden. Het vergt moed om dicht bij zulke alledaagse kleine observaties te blijven. Maar daar blijft het niet bij: deze dichter observeert óók het observeren zelf, stelt zich de vraag wat het betekent om in poëzie de werkelijkheid via taal en metaforiek te ‘verdunnen’, om het met een gedicht uit Veldwerk te zeggen. Klein Zandvoort excelleert dan ook niet alleen in haar beelden en observaties, maar ook in haar vorm – met gedichten die soms letterlijk van de pagina spatten, recht het hart van de lezer in.

 

Vissenschild van Liesbeth Lagemaat (Wereldbibliotheek)

Veel van wat Lagemaats poëzie altijd al kenmerkte, valt in haar zevende bundel echt op z’n plek. Bombastisch, gedurfd, lyrisch en episch – maar alles in dienst van het verhaal van deze bundel. Vissenschild vertelt een gruwelijk sprookje over de ontering van een meisje en trekt daarvoor alle registers open. Wie in een dichtbundel genres als zang en vertelling, poëzie en proza, met elkaar tracht te verenigen, lijkt zich voor een onmogelijke taak te stellen, maar Lagemaat doet precies dit op indrukwekkende en volstrekt eigen wijze in het meeslepende Vissenschild. Haar verhaal verslapt nergens, de verschillende verhaallagen en personages zijn overtuigend uitgewerkt. De gruwelijke fragmenten van het sprookje worden door Lagemaat zo raak beschreven dat de lezer niet anders kan dan ze meevoelen, en huiveren. Dat maakt van deze bundel, in deze tijd, haast ook een manifest. Lagemaats taal is grenzeloos en beheerst, toont plezier en vernuft. Bundels als Vissenschild van Liesbeth Lagemaat worden maar zelden geschreven.

 

Wie was ik van Alfred Schaffer (De Bezige Bij)

Wie was ik is een van de persoonlijkste bundels van Alfred Schaffer: hij vertelt niet alleen zijn eigen geschiedenis, maar bovenal die van zijn moeder. Aan deze oprechte en indringende zoektocht naar wie hij was en wie hij nu is, ligt het verlangen ten grondslag om niet langer vreemd te zijn, om te worden gezien. Schaffer laat de lezer in deze bundel dichterbij komen dan in eerder werk, maar bewaart ook zeker enige afstand – die precieze balans samen met de rake inhoud, verhalende dichtstijl, scherpzinnige beeldtaal en het ritme van de woorden zorgen ervoor dat je de bundel met moeite weglegt. Sommige gedichten zijn adembenemend, en als Schaffer zich dan ook nog direct tot jou als lezer richt met confronterende en ongemakkelijke vragen, wordt het wel heel lastig om aan deze bundel te ontsnappen. Wie was ik grijpt je bij de strot, sleept je mee, verruimt je blik en dwingt je dan weer verder te lezen.