Biografie van Cees Noordhoek

Elke maand een nieuw gedicht. Aanleiding: de gedichtenavond van Vereniging Aldichter, Almere.
2019
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    3294

    GOEDGEMUTST

    1e ronde
    Voel me oud brood vandaag,

    Toch vanochtend vers uit de oven.

     
    Nee, nooit niks meegemaakt.

    Ik lag in het gras en

    Dolde met de wolken.

     
    Op mijn deur werd maar niet aangeklopt.

    Ik deed de vaat, de was; -

    Droomde van verre vreemde volken.


    Na elk begin meteen weer gestopt.

    Mijn overjas was mijn huis,

    Het bruisen liet ik aan de kolken.

     
    Maar beitel met bliksems in mijn steen:

    Hij komt wel weer boven.

     
  • 2
    3295

    VEELOMVATTEND GESPREK

    1e ronde
    Geef me je hemelen,
    Ik overdek ze met mijn bergwoorden.
    Geef me je diepzeeën,
    Met mijn spreukenzand dek ik ze toe.
    Geef me je tranen,
    Ik brouw er wel blijwater van.
    Geef me vooral je lach,
    Uit al mijn galmgaten laat ik haar weerklinken.
     
    Nee, hou alles maar bij je -
    Je luistert toch niet.
     
    Onze wolken hangen scheef
    En het gras –
     
    Moet nodig gemaaid.
  • 3
    3296

    MAUSOLEUM MATA HARI

    1e ronde
    We mogen met de bus naar het museum,
    Om mooie meisjes te zien. Inbegrepen
    Bij de kaartjes zijn koffie en appeltaart.
     
    Onze gids draagt een trui en een speld met ‘Gids’:
    Niks geen verrassingen vandaag dus, mooi zo.
    Ik lijn mijn oren aan, laat mijn ogen los.
     
    Zij vertelt over de arte povere
    En dat die diepe wortels heeft. Arm is rijk!
    Ik houd er van, als alles toch nog goed komt.
     
    In de eethoek geniet ik van de meisjes,
    Die met lepeltjes zo zwierig hun slagroom
    Door de koffie slaan. Nog verblinde jongens
    Steken met een vork hun gebak overhoop.
     
    Dan moeten we naar de volgende zalen,
    Om de nieuwe naïeven te zien. Ook die
    Blijken echter bepaald niet achterlijk. - Ik
    Houd van inzicht wat alles anders uitlicht.
     
    Wanneer het tijd wordt om te gaan, sta ik voor
    Mata Hari. Ze kijkt door mij heen en stapt
    Uit haar lijst. Ik struikel dichterbij en val
    Zowat dood voor haar zwarte verschijning neer.
     
    De gids komt terug, helpt me rechtop en zegt,
    Dat ik niet te veel stil moet staan bij wat haar
    Is overkomen, dat komt wel vaker voor.
    Dat is goed, je moet ook weer kunnen slapen.
     
    Achterom kijkend mis ik bijna de bus,
    De gids let goed op. Met een gebroken hart,
    Maar wel heel veel gezien reizen we terug.
    Die mooie meisjes moet ik laten hangen.
     
    Wanneer ik in slaap val, kust zij me wakker.
    Je hebt een nachtmerrie zegt ze, het is goed.
    Maar ik weet dat ik van haar droom, die ander,
    Wat haar elke dag opnieuw weer overkomt. 
     
     
     
  • 4
    3297

    DE BEDEVAART

    1e ronde
    Ook de laatsten stappen al vroeg de bus in:
    We gaan een dagje naar de grote kermis.
    De stemming is goed, sommigen slapen weer.
    Het is ver, de bestemming voorbij de grens.
     
    Zijn we net op weg, valt onze bus al stil.
    Te zwaar beladen, overvol het gerucht.
    We laten een handvol reizigers achter,
    Ze zoeken maar een weg, daar ergens buiten.
     
    Wat later is het weer zover, we staan stil.
    Onze buschauffeur kijkt vragend achterom:
    Wie stapt hier uit en is weg? De reisleiding
    Zet een nieuw lied in, zo komen we er wel.
     
    Ten derde male oponthoud. De meisjes
    Van de bovenleiding vallen stil – wie moet
    Er nu nog uitstappen? De oudjes dan maar,
    Die zijn wel wat gewend. En staan meteen op.
     
    De kleintjes spelen mensje in het gangpad,
    Maar zijn plotsklaps allemaal zoek. Waar ze zijn
    Gebleven, zelfs onze chauffeur zag hen niet.
    Hij doet slechts de deuren open en weer dicht.
     
    Nader onderzoek moet leren, of zij de draaimolen
    Door openstaande noodluiken wisten te bereiken.
  • 5
    3298

    VERHUIZEN

    1e ronde
    We kunnen morgen toch écht niet alles meenemen,
    We moeten de woordenkast nog helemaal nazien.
    Lachend houden we de hangertjes voor elkaar hoog,
    Wat versleten is moet weg, we ruimen alles op.
     
    Ik houd de liefde voor mijn buikje: wie wil zóiets
    Nog aan? Jij trekt je mooie waarheidjurk uit de kast  –
    Zoals dát er op het hangertje nu uit ziet, weg!
     
    En wat moet je met die wollen gedichten, mooi strak
    Gebreid, wie wil die zijden spreuk en dat schattige
    bloesje met bloemen van grammatica afdragen?
    De beeldspraken vallen vanzelf al van hun knaapje.
     
    Alleen de laatste woorden pakken we in, ‘geheim’
    En ‘wonder’ gaan altijd met ons mee. In de kleinste
    Koffer passen nog nét - de beide sprookjesmutsen.
     
  • 6
    3299

    KLEINE WERELDGESCHIEDENIS

    1e ronde
    Al heel vroeg moesten we instappen
    In de bus, het was het eerste uur.
     
    De stad met de lichtjes was ver weg,
    Een ster hield ons op het rechte pad.
     
    Op de markt daar was het heel erg druk,
    Ieder droeg zijn lichtje op de borst.
     
    Het was zo warm als in de woestijn,
    Maar wel gezellig, met warme wijn.
     
    Op het zesde uur moesten we weer
    Terug naar de bus, maar die was stuk.
     
    Zijn ster was van zijn voorhoofd gerukt.
    Het was lang wachten op de monteur,
     
    Die mopperde overwerk en dat
    Hij liefst alleen met kinderen omgaat.
     
    Toen we eindelijk thuis kwamen had
    Ons laatste uur allang geslagen.
     
    De dag was voorbij gevlogen, wat
    Waren we moe, het was niet heel erg.
     
    Nu mochten die nog hijgen konden
    Slapen, doodstil slapen eindeloos
2018
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    4756

    WINTERKLEED

    1e ronde
    Jij ziet het ook.
     
    De zon hangt achterover, een oude man
    In een dunnende overjas.
     
    Over het veld geroep van vertrekganzen,
    Een gele dag.
     
    Er is stilte in de sloot en
    Besluiteloosheid in de wind.
     
    Een paar bomen buigen voorover
    Uitgebladerde vraagtekens
    Bij een zwarte schuur met open deur.
     
    De laatste zomernacht slaapt hier
    Onder een deken van grondnevel uit. 
     
    Er kruipt een lage donkerte in dit alles,
    Verstopt in zeer doodse schaduwen.
     
    Elders is het beter.
    Wij trekken een trui aan, blijven -
     
    Onopgemerkt.
  • 2
    4759

    ER GEBEURT EEN HOOP

    1e ronde
    Af en toe vliegt een vliegtuig over.
    Af en toe rijdt een auto langs.
    Af en toe schuift een schip voorbij.
    Af en toe zie ik een fietser.
     
    Er zijn wolken, wat bomen in de wind.
    En het regent ook, af en toe.
     
    Voor wie over veel geduld beschikt
    Valt er veel te beleven, af en toe.
     
    Maar wat ik honds verlang is
    Dat jij die wandelaar bent,
    Die mij aanlijnt
    En - al is het maar af en toe -

    Aan andere verveling went.
     
     
     
     
  • 3
    4760

    BERG OP, BERG AF

    1e ronde
    La Verna heet in dit land die gouden berg
    Die je, waar je ook gaat,
    Vroeg of laat tegenkomt. Valken
    Wijzen je de weg. Ze is zo hoog,
    Dat je er niet omheen kunt.
    Het kerkje voor de heilige daarboven
    Bereik je gerieflijk gekoeld
    Met de touringcar. Blinden en doven
    Mogen voorin.
    Een heilige berg voor het volk.
    Vrouwen horen daar niet bij,
    Zij wachten beneden,
    Hun hoofddoekjes verbergen hun
    Eeuwig geduld met de man.
    De berg is gespleten, dat is al sinds
    Hij na veertig dagen terugkeerde
    Uit het eiland, met het vuur in handen.
    Naar de piek leidt een smal pad.
    Je loopt hier alleen, net als hij ooit.
    Een ijle wind ruist door de olijven.
    Hard is deze berg voor wie er komt
    Om zichzelf te vinden. Harder
    Voor wie er zichzelf verliezen wil.
    Het pad verdwaalt in kiezel en steen,
    Geeft de voeten een nieuw leven.
    Het eindigt bij de afgrond.
    Deze berg ligt hier voor wie
    Het dal wil omarmen. Ver weg
    Vervaagt het huilen van de wolf.
    Met drie stoten op zijn bazuin
    Roept de bus haar klimmers weer terug:
    Wat omhoog gaat, moet ook weer naar beneden,
    Wat warm werd, moet weer worden gekoeld.
    Het is goed, dat alles wordt bestuurd.
    De vrouwen komen overeind,
    Zij hebben intussen de verlamde berg verplaatst.
    Om het torentje fladdert een duif:
    We hebben het gezien, we hebben het gehoord.
     
     
  • 4
    4911

    PERMAFROST

    1e ronde
    Altijd sneeuw en mist om in te verdwalen.
    Te lang onze neus nagelopen, de honger
    Wijst ons een te dun pad:
    In schimmen lost onze kudde op.
     
    De vorst stremt ziel en bloed, onze wol-
    Behaarde bottenkracht loopt vast in het ijs.
    De eeuwige kou verjaagt onze jagers,
    Zij wachten elders op een warmer licht.
     
    De vlakte verandert in een ijswoestijn,
    Onze slagtanden haken vast in het mos:
    Stijf bevroren zakken wij naar diepe lagen.
     
    Zo raak ook ik in diepe lagen stijf bevroren,
    Ben doods in uitgeharde winterdromen,
    Loop bij ontwaken uit in een moddervlek.
     
    Wil je mij kennen, zoek me dan
    In eeuwig ijskoude grond. Stil sta ik daar
    Op je te wachten, heb jij, graver je buit.
     
    Maar ontdooi mij niet lief, ontdooi mij niet, val
    Met je warmte niet aan mijn rotgeur ten prooi.
    Voor jou blijf ik altijd ijzig ongenaakbaar.
     
  • 5
    4914

    ALS GRAAN WORDT GIJ GEOOGST, ALS GRAAN

    1e ronde
    De kop een blok van basalt, recht gekapt.
    Blauw de ogen, het zeegrijsblauw
    Van wie enkel zware gewassen ziet.
     
    Zijn hand uitgedroogde klei, het lijf
    Een trekpaard, zwetend in de zon.
    De mond voor brood met reuzel.
     
    Werk in de suikerbieten, voor de vrouw,
    Het kind. Is dat gedaan, dan
    Naar het eigen lapje, knol en span.
     
    Zeewier bruist hem uit de oren,
    Vergeeld zomerstro dekt zijn
    Wenkbrauw, een waterkerende dijk.
     
    Het gesprek kort, een versleten deurmat:
    Zijn ogen zien achter je steeds zijn land,
    Klomp en laars bepalen dooddoener en spreuk.
     
    Zijn voorhoofd in rechte lijnen doorploegd
    Met onwrikbare overtuigingen, het slik
    Van de twijfel met een jonge weggespoeld.
     
    Tegen het rot in je botten geen verweer.
    De bulderende golfslag van je psalmgezang
    Valt stil, branding bij avondlicht.
     
    Nu pas zien wij, dat zelfs jij voor de zeis bent.
    Je fluistert: ‘Tel uw zegeningen, tel ze,
    Want Gods liefde groeit door alles heen’.
     
    Je zegt het zo zacht, dat het voor immer
    En altoos rond blijft zingen
    In de diepzee van wilgen, die je nu omringen.
  • 6
    4916

    SOMBERE MUZIEK OVER PSALM 103 VERS 8

    1e ronde
    Ik ruik dat mijn vader boven is: Ritmeester Pikeur,
    De sigaar die hij rookt wanneer hij op het orgel speelt.
    Op de trap wordt het stuk hoorbaar, een sombere muziek
    Die klaagt over ons leven, als dor gras zo kortstondig.
     
    Wanneer ik op de orgelbank naast hem schuif, heel erg stil,
    Hoor ik hoe zijn zacht gesnotter de noten water geeft.
    De partituur waait tranen in zijn oog, slechts af en toe
    Kijkt hij naar zijn voeten. Het is een zwaar en moeilijk werk.
     
    Hij trekt registers bij, de zwarte wolk wordt die orkaan
    Die geen enkele spriet laat staan. Dan wijkt de storm en speelt
    Hij in diepe berusting verzonken zijn slotkoraal.
    Op zijn trui stuift de kegel uiteen, voorteken in as.
     
    Ik rook niet en vind in truien geen troost. Wel beteugel
    Ik nu zelf met vaardige hand het orgel - en wilde
    Dat ik nog naast je zat. Teveel as, teveel dat was. Toch -
    Kringel je in al mijn grasgroene psalmen mee omhoog.
  • 7
    4919

    LAATSTE VOORSTELLING

    Top 1000
    De zaal stroomt leeg. De bezoekers, een obool in de hand,
    Bestormen de beschermengelen van hun jas en das.
    Slechts dun beschermd dringen ze, toch hongerig gebleven,
    Naar de uitgang, de met dode lampen belichte nacht.
     
    Ver van dit gedrang en hun applaus blijven wij liever
    Bevangen in ons eigen slotakkoord. Wij, die ver van
    Hun gewoel blijven, spelen onderling een beter slot -
    Totdat ook ons wordt ingefluisterd, dat wij moeten gaan.
     
    Lachend gooien wij onze gouden munten ver omhoog.
    Ook wij schuifelen, ons eigen voetlicht voorbij, onder
    Die stralende sterren helderziende het donker in.
    De morgenglans der eeuwigheid gloeit ons al tegemoet.
     
     
  • 8
    4920

    ALLES IS WATER

    1e ronde
    Ik tuur te ver.
    Een kijkduin, onbereikbaar
    Hoog tussen golvende pannen.
     
    Niet met helm beplant, onbewoonbaar,
    Aan zichzelf voorbij gestoven.
     
    Vergezichten schuren beddingen
    In mijn strand, ik hoor alleen  
    Gekras van waakzame meeuwen.
     
    Totdat de nachtwind mij langs een vloedlijn
    Van wiergrillige geulen gooit.
     
    Nu zie ik dat er geen leugen is.
    Er kan geen leugen zijn
    Die niet naar waarheid ebt.
     
    Ik ontdek dat ik getij ben, ik water
    Uit in kreken en loop slurpend leeg.
     
    Ik voel, dat dit stranden alles is,
    Het is slib, scherp en week.
      
    Ik leef met krabben en kwallen.
    Al wat is, vertegenwoordigt volmaakt
    Zichzelf en wat er in samenstroomt.
     
    Alles is water.
    Er is geen leugen.
    Er is geen gemis, geen gebrek.
     
    Ik ben drooggevallen,
    Een opgewaaid wandelduin met
    Zonnende ogen.
2017
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    2694

    BIJ HET BAKKEN VAN SPEKJES

    1e ronde
    Wie als jaar wordt geboren, weet zich
    Vanaf zijn eerste dag een moordenaar.
    Geen nacht heeft hij rust, de dag
    Wordt zwartgemaakt en opgegeten.
    Het zakken van de zon schrijft op de bijl
    Van de beulsknecht dagelijks hetzelfde bevel.
     
    Ook de slagers leiden het leven van een dag.
    Op de fluit van het slachthuis worden ze opgehangen    
    Door weer een volgende lichting dagloners.
    In onze gehaktmolen draait alles om restvleeswinning,
    Het onderhouden van een soepel lopende slachtlijn.
     
    Voor het gerecht der dagen is geen hoger beroep,
    Bij het schemeren van het vonnis rijst alweer de valbijl.
    Dagen en nachten, rechters en veroordeelden,
    Alles draait om verderf en dood - om en om.
    Jaren bezwijken onder eeuwen, tijdperken
    Verstikken onder grijnzende millennia.
     
    Ik bak wat spekjes uit en denk aan de pijn
    Van het varken, de pijn ook van de pan. Ik eet met smaak,
    Die spekjes drijven als eilandjes in de tijd.
    Morgen zijn ze weer voorgoed onbewoonbaar.
    De dagen moet je plukken, voor de nachten bukken.
     
    Ik zoek een vasteland, een zee zonder getij,
    Ik zoek de roerloze verveling van
    Bladstille zondagmiddagen - van voor ik wist.
  • 2
    2695

    KERSTBORREL

    1e ronde
    Iemand had een rolletje rosbief
    Iemand had een kaasplankje
    Iemand had kip met spek omwikkeld
    Iemand had bubbels
     
    Er waren kaasbolletjes
    Er waren garnalen in knoflooksaus
    Er was een mevrouw die nu een pruik had
    Er waren antwoorden die geen vraag hadden
     
    De dipsaus, die was er ook
     
    Buiten zag ik vlokken - overal vlokte het, onophoudelijk.
  • 3
    2697

    BEVRIJDING

    1e ronde
    Ik ben de cipier
    Van mijn woede. Ik
    sluit af, ik sluit op.
     
    Ik veroordeel mijn woede
    Tot eenzame opsluiting.
    Vervroegde vrijlating sta
    Ik niet toe. Ik zet mijn angst
    Een feestneus op en verberg
    Haar in de isoleercel.
     
    Van deze tweeling
    Ben ik de bewaker,
    Aflossing is er
    Nooit. Ik sluit de rest
    Uit, hen alleen sluit ik
    In mezelf in en op.
     
    Bezoekers melden uitsluitend op vaste tijden.
    Op de binnenplaats, levenslang tot mezelf veroordeeld,
    Snoei ik mijn rozen. De maan wast, een gouden wond.
  • 4
    2698

    OPKOMST EN ONDERGANG VAN HET CONFECTIEPAK

    1e ronde
    OPKOMST EN ONDERGANG VAN HET CONFECTIE PAK
     
    De linkersok noem ik verveling, de rechter walging.
    De broek staat er modderzwart boven, één pijp versteende woede,
    de ander verstijfde angst.
    De riem, die komt me later nog van pas. Onderworpenheid blikkert
    vastberaden in haar ijzeren gesp.
    De gebronsde pasvorm der voegzaamheid geeft aan mijn hemd de volmaakte lijn,
    die ook zo past bij de vrouw.
    Een zilveren jasje overschreeuwt mijn gebreken, die als lege wolken
    wuiven in de hemel.
    Verlaten van de vreze des Heeren durf ik, altijd een brutaaltje gebleven,
    nu ook buiten wel met mijn gouden muts te pronken.
     
    Uit mijn lege schoenen trekt een grijze geur de stropdas moedeloos omlaag.
    Sleetsheid wint het ook van mij: tussen eerste en laatste naaktheid
    blijft mijn wereldrijkje met haar gouden kroon en modderpoten
     een stoffig bedoeninkje in verval.
  • 5
    2701

    VERDWAALDE POOL DOOD GEVONDEN IN SLOOT

    1e ronde
    Ik loop en loop, kouder dan thuis is dit vreemde land
    Dat zich steeds witter voor mij verbergt. Alles
    Is hier koud en steeds verder weg klinkt mijn stem.
    Ga gewoon rechtdoor, heeft ze gezegd, ik wacht op je.
     
    Wat verderop is een rij sneeuwgetakte beuken roerloos
    Ook de voertuigen van de hulpverleners.
    De brandweer is er, een dokter en men is bedrukt
    Met een ladder. Ladder. De lijkwagen sluit de rij.
     
    Ik loop en loop, kouder dan thuis is dit vreemde land
    Dat zich steeds witter voor mij verbergt. Alles
    Is hier koud en er is ook niemand te zien.
    Gewoon rechtdoor, zeiden ze, we wachten op je komst.
               
    De kettingzaag heeft om de dode zijn vraagteken
    Uitgezaagd. Op onverklaarbare wijze
    - Stelt de krant -van de weg geraakt, door het ijs
    Gezakt. Zo moet het zijn gegaan, zal het altijd gaan.
     
    Ik loop en loop, kouder dan thuis is dit vreemde land
    Dat zich steeds witter voor mij verbergt. Bitter
    Koud hier, er is niets meer te horen. Omhoog
    Zei hij toch omhoog, er wordt door ons op je gewacht.
     
    Met een flauwe bocht neigt die sloot naar zijn dood.
    Zij kon niet anders, maar de man liep rechtdoor.
    Op onverklaarbare wijze is de Pool
    Verdwaald en meermalen door het ijs gezakt. Verdwaald.
     
    Hij heeft geen naam, deze Dode van de Weggemist.
    Toch ken ik, ook een poolloos vlokje, hem als mijzelf.
     
    Zo naamloos als de vlokken
    De voetstappen die er onder verdwijnen
     
     
     
  • 6
    2713

    OP DE UITKIJK

    1e ronde
    Stoel. Licht. Stil.
    dit kan ook een andere cel zijn
     
    Stil. Bed. Glas.
    dat kan ook van iemand anders zijn
     
    Glas. Wand. Deur.
    zij kan ook binnenkomen
     
    Deur. Lawaai. Ogen.
    het hoeft geen kind te zijn
     
    Ogen. Geschiedenissen. Vuur.
    het kan anders zijn gegaan
     
    Vuur. Adem. Voorbij.
    tenzij de duiven weer terugkomen
     
     
  • 7
    2716

    VERVOERING

    1e ronde

    Blauwe bussen hinkelen heen en weer tussen hun perrons hangen         
    Opwekkende mededelingen over nogmaals verbeterde
    Aanrijtijden. Scholieren dringen – net als ik toen - naar achterin.
    Een web van aangetrokken lijnen beknelt het omliggende land.
     
    Ernaast de zoveel strenger, harder sporen voor de treinen staan in
    Hun gele jassen klaar voor vertrek gespannen in centraal station.
    Uit de wachtkamers stroomt het hongerig volk: zij dragen nu de jukken,
    Hun wereld wordt vandaag en vervolgens dienstregeling ingetoomd.
     
    Verderop, in de oude haven, treuzelt mijn zwart geteerde boot
    Om uit te varen, de zeilen met grillige strepen getekend.
    Want wanneer ik me overgeef aan de zee en zij mij tenslotte
    Ergens ankert – zie ik jou, die veel liever vliegt, daar ooit nog terug?
  • 8
    2718

    HET KOMT ER NIET UIT

    1e ronde
    Nooit voel ik het voorrecht van je liefhebbende vuist
    Zeeën van kennis zuig ik op
    Diep inzicht vult al mijn gaten
    Niemand die me uitknijpt, uit me perst wat ik in me draag.
     
    Nooit smaak ik de tuchtigende vreugde der wringer
    Alle vuil wat je voor me legt neem ik op
    Van je stof braak ik aarzelend een kiezelpad
    Niemand die mij mangelt, mijn sterren uit mijn nacht drukt.
     
    Ik blijf wie ik ben, een dweil in een emmer vergeten,
    Een spons verdrogend in een keukenla, in afwachting
    Van je genadeloze veeg met dat eeuwige vaatdoekje.
     
    Wil jij mij niet fijn wrijven, - ik zal geen bellen blazen.
  • 9
    2734

    VERSCHIJNING VAN MAN MET STROHOED

    1e ronde

    Elke gebeurtenis is een alledaagse samenloop
    Van klaarblijkelijk omstandigheden, altijd gedacht
         
    Dit gebeurt op de weekmarkt
    In Vaison-la-Romaine, en waar niet
    Het is oktober, het plein gehuld in gulle najaarszonnigheid
    Een heel ruim plein, het hele dorp past er in
    Het stadje, als je het een stadje noemen wil
    De lunch, we zitten buiten en wie niet
    Pas na 5778 seconden valt die man me op
    Die niet eet, niet drinkt, maar zit, zeer stilzit
    Midden op het plein, alleen op een bank
    Strohoed op, wit T-shirt, witte broek, bruine sandalen
    Hij zit doodstil, dat wil zeggen je ziet dat hij niet slaapt, hij moet doodwakker zijn
    Je slaapt niet, als je achterover leunt, met je handen in je nek gevouwen
    Ook de banken links en recht naast hem blijven leeg
    De zon, hij heeft voortdurend de zon recht boven zich, geen schaduw te zien
    Zijn stille tronen beweegt het gehele plein

    We vegen de lippen af, vertrekken
    Door brood en wijn gesterkt als niet eerder
    Ik kijk nog even om -
    Mijn vrouw zegt aggotnee je vergist je, dat was een vrouw!

    Zo verlicht de toekomst het meest onzichtbare heden en
    Verduistert het verre verleden nog steeds de meest verlaten pleinen.
  • 10
    2741

    EILAND IN DE GRACHT

    1e ronde
    In mijn liefde voor het boek ga ik ver,
    Op elke rommelmarkt besnuffel ik de bananendozen
    In het antiquariaat groet men mij met zure lach:
    Daar is ie weer, die pingelaar.
     
    Vooral op gedichtenbundels ding ik onbehoorlijk af
    Dat was altijd al slechte handel en na een kortstondig
    Verblijf op muffe boekenplanken is het waardeloze troep.
    Bagger, noemen we dat (zie verderop).
     
    Zo bouw ik stiekem aan mijn gouden bibliotheek.
     
    Maar op de dagmarkt wordt mijn zuinigheid met
    Een groots gebaar door de koopman afgestraft:
    Voor een piek verkoop ik jou die bloemen niet, krentenkakker!
    En gooit met een sierlijke zwaai de begeerde bundel in het water.
     
    Sindsdien weet ik dat ik wel in, maar niet vóór de poëzie wil zwemmen.
     
2016
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    8177

    PLAKBAND

    1e ronde

    Het rolletje doet me denken aan alles wat ik heb ingepakt
    En nooit meer terugzag.
     
    Ik denk aan pleisters die ik heb geplakt, aan wonden
    Waaraan ik niets had moeten doen.
    Alles laat los.
     
    Ik denk aan verbandjes die ik heb gelegd, zonder
    Me aan iemand te verbinden.
    Nooit blijkt het waterdicht.
     
    Plakkers op lekke banden, pleisters op kapotte knieën,
    Volzinnen over de kwetsuren van de geest,
    Hangbruggen over kloven in de ziel.
    En wat je hebt afgerold, rolt nooit meer terug.
     
    Ik weet, dat het maar op  één plek heel goed werkt:
    Twee strepen, een kruis over je lippen.
     
     
       
  • 2
    8183

    LOF DER STILSTAND

    1e ronde
    O pest - te moeten leven in een tijd
    Die topsnelheid verwart met vooruitgang.
     
    Wie beweegt kan niet bidden, niet dromen.
    Wie beweegt kan niet schrijven, niet lezen.
    Wie beweegt kan niet dansen met de taal.
     
    Ik omarm kloosterlingen, ik omhels
    Geleerden. Ik omkrans ook de dichter,
    Koning der zwijgers, profeet der stilte.
     
    Ware vooruitgang wordt al struikelend
    Enkel door stilzitters tot stand gebracht.
     
  • 3
    8187

    AFKOKER

    1e ronde
    Er was weinig, waarin ik uitblonk,
    Veel bracht ik niet tot stand.
    Ik leefde ondergronds, kiemgeremd.
     
    Maar weet: ik was een aardappelkenner,
    Mijn liefde voor de knol beleed ik elke avond.
    Ik pootte met kundige hand, stootblauw
    Kleurden mijn eigenheimers bij het rooien nooit.
     
    Ze heeft me niets gebracht, ik bleek
    Tegen haar nachtschade niet bestand.
    Zij schilde mij dun, voer voor de spade.
     
  • 4
    8202

    AFSLAG

    1e ronde
    Met zonnestralen had ik willen schrijven,
    Een melkweg van vonkende zinnen ontsteken.
     
    Wat droog was is ondergelopen,
    De blinkende plas opgedroogd.
     
    Er waren vele stemmen -
    Ik hoorde in het vuur niet de zee,
    Ik rook het branden van haar golven niet.
     
    Er waren vele wegen -
    Ik ging de weg der vaderen,
    Die van sintel en as.
     
    Onvruchtbaar ben ik gebleven,
    Mijn tong een scheur in de akker.
  • 5
    8207

    ZENDELING

    1e ronde
    In het Noorden, waar de bodem drassig is
    En verzakking versteende voorhoofden scheurt,
    Dralen de koeien op het lege veld. Niet
    Naar stal. - Nog niet: zij verstaan het beven niet.
     
    Ook ik - die met opgetogen tenen wandel –
    Heb veel te geven, maar ben nog
    Zoekend naar nieuwe klompen.
    Morgen is het gras weer fris, ik vind
    Een terp ongerimpeld en karn mijn gedachten
    Tot een botervloot vol genade.
     
    Met vreugde, ja voorjaarsblauwe vreugde
    Zal ik dan hun weiden opschudden, -
    In het Noorden, waar de bodem drassig was.
     
  • 6
    8217

    DIEPVRIES

    1e ronde
    Het is koud, mijn gedachten dwarrelen luchtig neer.
    Ik kan hen gekoeld bewaren, net als sneeuwvlokken.
    Ze kunnen zich verdichten, door soortelijk gewicht –
    Maar vaker omdat ik op mijn lippen bijten moet.
     
    Ik maak er sneeuwballen van, ik verdicht stuifsneeuw  
    Tot denkijs, met wakken rondom. Enkel mijn dromen
    Vriezen ’s nachts weer vast, leggen mijn wit verlangen vast
    In grijs gekronkeld gletsjerijs. Het kraakt elke nacht.
     
    Ik heb ze beluisterd, mijn sneeuwbuien. En gewist.
    Enkel jou heb ik in mijn vrieshuis toegelaten.
    Nu hoeven we slechts te wachten tot alles stil wordt -
    Om onder koel maanlicht in jubel op te stijven.
     
2015
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    5540

    ZELFONTSPANNER IN ZWART - WIT

    Top 100

    Begin met de bloem en haar compositie,

    Zij wordt tot ontleding toe opengesteld.

    Nu moet de tijd een stop hoger ingesteld,

    Dit bepaalt de levensduur der reflectie.

     

    Met een andere lens wordt zacht gefocust

    Op een nieuwe wens: zie voor de roos in brand

    De fotograaf, biddend in de macrostand.

    Alleen het statief  bewaart zijn gemoedsrust.

     

    Een onderbelichte tijd is het sluitstuk.

    Op dit hoogtepunt bewerkt het negatief

    Zijn ogenblik tot haar stilstaan in afdruk -

    Doch zelden zijn de doornen coöperatief.

  • 2
    5541

    NALATIGHEID

    1e ronde

    Ik kijk om en zie lege polders.

    Aan inschepen waagde ik me niet,

    Ik meed vertrekhal en zeehaven.

     

    Ik verzuimde een staat te stichten,

    Er is geen toren die mijn naam draagt.

    Ik reed geen vloot uit naar overzee.

     

    Er zal geen leer zijn, hoe soepel ook,

    Die mijn naam bewaart. Aan mijn paspoort

    Is geen stempel gesleten. Ik was.

     

    Maar wie straks in mijn papieren blaast,

    Zal met mijn snippers wolken witten,

    Leest in mijn wolken een firmament.

     

  • 3
    5542

    ONTWAKEN

    1e ronde

    En weer eet de moederslaap haar op.

     

    Haar wenkbrauwen kronkelen, slangen in de nacht.

    De deken wordt weggetrapt, een verfrommeld servet.

    Wil je hagelslag op je boterham, of liever pindakaas?

    Nee, stroop wordt het, daar

    Word je sterk van, later.

    Ze krijgt het evenmin.

    Haar tong is droog, een gescheurd wegdek.

    Haar adem slaat links af en rechts,

    En komt nergens thuis.

     

    Wanneer ze wakker wordt, buigt

    Haar vader zich over haar heen.

    Hongerig.

     

  • 4
    5545

    GEBROKEN VAAS

    1e ronde

    De dag is dood.

    Dood is de stoel.

    Daar zat je net op.

    Dood is ook het licht

    Dat daar nu hangt,

    Dat geen schaduw meer op heeft.

    Dood is ook de stilte,

    Die de deur heeft open gelaten.

    De dag is dood.

    Op het behang

    Kleeft een mug.

    De bloemen liggen

    Tegen de muur.

    Ik spreek met scherven.

     

     

     

     

  • 5
    5546

    SCHRIJVER

    Top 1000

    Buiten regent het,

    In de bakkerij heerst hitte.

    Er zijn vlammen en mijn vader leest het vuur.

    Hij schrijft zijn naam op de broden,

    Als ik groot ben mag ik dat ook.

     

    Hij zegt, dat schrijven een beter werk is.

     

    Die regen is nooit opgehouden,

    Die vlammen nooit gedoofd.

    Maar met mijn geletterde ogen

    Kan ik het vuur niet meer lezen.

     

    Ik schrijf enkel koude letters.

     

  • 6
    5547

    NIET GEZIEN

    1e ronde

    Nooit kijkt ze mij aan.

    Niet wanneer ik in de schoolbank schuif, achter haar.

    Niet, lege uren later.

     

    Over haar nek grazen mijn ogen, over haar nek.

    Een pukkeltje is een vulkaan van geluk.

     

    In de winter speel ik met de witte strepen op haar trui:

    We spelen blindemannetje en ik maak haar los.

    In de zomer speel ik met de bandjes van haar bh,

    Een ruwer spel, alleen met zwarte zonnebril te zien.

     

    Nooit kijkt ze mij aan.

    Ik ga voor haar zitten en kramp trekt scheuren

    In mijn nek. Ik zie dat ze sproeten heeft,

    En dat er eilanden zijn,

    Door twee lege zonnen beschenen.

     

    Nooit kijkt ze mij aan. -

    Later, veel later zag ik haar nog eens op straat.

    Toen had ze die hond bij zich.

  • 7
    5548

    BROOD EN SPELEN

    1e ronde

    Wanneer ik uit school kom, slaapt de bakkerij

    En mijn vader, die de bakker is.

    Er staan daar lange rijen lege broodblikken,

    Ze blikkeren mij hongerig aan.

    Wanneer ik groot ben, mag ik vader wekken, nu nog niet.

    Hij heeft een puntzak met kruimels voor me klaargelegd,

    Dat doet hij elke dag.

    Ik eet ervan en ben in het legen meelhuis

    Met een houten schieter de Zwarte Ridder:

    Mijn harnas is gemaakt van blikken, verbrand en platgeslagen.

    Met gulle hand zaai ik onder mijn boeren en landlozen dood en verderf.

    Mijn vader is een grote gewitte bakker, hij bakt voor heel het dorp

    En ook melkbrood.

    Vader slaapt met zijn rug naar mij toe.

    Op school leer ik lezen en schrijven, maar mijn vader zegt

    Dat ik moet leren kneden. Dat durf ik niet, al zegt hij me

    Juist dit inzicht koel en donker te bewaren.

    Ik ben bang dat ik in het deeg mijn handen niet meer terugvind

    En met mijn zwaard niet meer zwaaien kan.

    Wanneer ik naar bed moet, zal mijn vader wakker worden.

    Morgen ga ik weer naar school,

    En is er weer brood voor alle mensen.

     

    Wanneer ik groot ben mag ik mijn vader wakker maken.

    Hij kijkt mij aan en snijdt met het zwaard

    Voor iedereen een boterham.

    Van wat behouden kan worden

    Laat hij niets verloren gaan,

    In elke kruimel deelt hij heel de wereld uit.

     

      

  • 8
    5549

    VERLICHTING

    Top 1000

    De zon zit me na. Met lange rode

    Voeten schopt hij mijn schaduwen opzij.

    Ik kan me voor de zon niet verbergen,

    Blauwe plekken werken als schijnwerper.

     

    Ook de maan doet mee. Die belicht brutaal

    Mijn donkerste hoeken, ’s nachts nog wel.

    In mijn stratenplan alles hel verlicht.

     

    Mijn toevlucht in verlaten mijngangen,

    In lang verlaten boorputten gezocht.

    Waar ik ook graaf, steeds breekt licht me uit.

     

     

  • 9
    5550

    OP JE RUG

    Top 1000

    Ik heb geen ander verlangen - dan weer

    De letters van ons begin te krassen

    In de bast van een scheef gewaaide boom.

     

    Aan geen ander genot houd ik meer vast

    Dan het afschrapen van palimpsesten,

    Steeds opnieuw borstel ik je naam weer bloot.

     

    Op de steen is mijn datum al voorzien

    Van lak en rood lint is mijn testament.

    Op je rug schrijf ik nog snel mijn laatste

    Woorden, altijd dezelfde: enkel jij.

  • 10
    5551

    GOLF

    1e ronde

    Ik dicht met een enkele slag

    Een geheel in één.

     

    De klap – ik noem deze ‘spraak’ –

    Praat de oerbeweging na.

     

    De bal – ik noem deze ‘woord’ –

    Valt ademloos in de put.

     

    Rustig rijdt de ballenjongen

    De afgrond in.

     

    Dit belichaamt

    Wat je de ‘werkelijkheid’ zou kunnen noemen.

     

2013
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    5350

    ONTWIELD

    1e ronde

    ONTWIELD

     

    Doorgeroeste woorden, verbogen klanken,

    Zinswendingen waar de zitting uit ligt –

    Mijn taal komt niet door de APK.

     

    Roos, liefde, hart, jij, wereld

    En al wat daar boven uit gaat:

    Het is allemaal aan vervanging toe.

     

    Maar hoe kan ik praten zonder wielen?

  • 2
    5353

    WEB

    1e ronde

    WEB

     

    Dichten is anders

    Niet dan geduldig

    Wachten op een los

    Dwaalt het – wat een pech -

    Van de kudde af.

     

    Ik veer op en slik

    Het in. Mijn web deint

    Nog na, en is stil.

    Ik gaap tevreden.

    Wie praat er over

    Gaten? Ook spinnen

    Moeten lezen om

    Te overleven.

     

    Zo vang ik zonnen,

    Goden en schapen.

    En spin een nieuwe

    Vacht om het heelal.

     

    Ik spin steeds opnieuw

    Aan een nieuw begin.

    Tot ik ga slapen

    En mij wieg in mijn

    Oudste rijm, dat dicht

    Vleit zacht tegen licht.

     

    Zo verschijnen woorden,

    Steeds weer wollig wit,

    Iets mank en als schapen,

    Loslopend onzin.

  • 3
    5356

    ACHTER DE RUG

    Top 1000

    ACHTER DE RUG

     

    Vertrouwde voorstellingen openen de wand:

    Het dorp aan de rivier, een molen op de dijk.

    Boten liggen er stil, op de oever geborgen.

    Een vrouw leest in een boek, een raam is een spiegel.

     

    Ik kijk vaak naar die roerloze wolken, de brief

    Die aan haar hand ontvalt. Haast kan ik het kraken

    Van strenge winters horen, die barsten trekken

    In de strakgespannen doeken, ijsberichten.

     

    Achter mijn rug verdonkeren vooruitzichten,

    Achter me haast het lawaai van mijn stad voorbij.

    Ik wil niet omdraaien, ik wil sprakeloos zijn,

    Helemaal in geschiedenissen ingelijst.

     

    Ik wil niet anders zijn dan een traag uitharden

    In vertrouwde voorstellingen, verleden tijd.

     

  • 4
    5359

    VERLANGEN

    1e ronde

    VERLANGEN

     

    Ik verlang naar het eind van de dag.

    Ik zal bij je wegkruipen

    In ons grote bed.

     

    Ik verlang naar de nacht,

    Ik zal je warmen,

    Ik zal bij je schuilen,

    Ik zal je kussen

    Uit alle macht.

     

    Ik zal – ik teken nu

    Een vogel op je rug -

    Vooral heel erg willen

    Dat hier een ander ligt.

  • 5
    5361

    PLAN VAN AANPAK

    1e ronde

    PLAN VAN AANPAK

     

    Toen ik laatst

    De dood ontmoette

    Dacht ik: verdorie –

    Daar krijg ik last mee.

     

    Wat ik daarop heb bedacht is dit:

    Knip al je woorden één voor één

    Uit je zinnen los.

     

    Als die ijswind dan weer terugkomt,

    Dan verspreiden zij zich dansend

    Over het heelal.

     

    En slaan neer

    In het grote boek.

    Iedereen kan dit

    Doen! Zoek een lezer!

     

  • 6
    5363

    INZICHT

    1e ronde

    INZICHT

     

    Het is niet goed,

    Een vrouw op sokken te naderen

    Het is niet goed,

    Een vrouw met zonnebril te naderen

    Het is niet goed,

    Een vrouw met krant te naderen.

    Het is wel goed om met haar te praten over sokken,

    Het is wel goed om met haar te praten over de zon,

    Het is wel goed om met haar te praten over boeken.

     

    Beter is het is om af te zien

    Van het dragen van sokken, van brillen en andere hulpmiddelen.

  • 7
    5364

    ONGELETTERD

    1e ronde

    ONGELETTERD

     

    Het balken begin, toen de letters opraken.

    Woorden brokkelen af, zinnen raken zeldzaam.

    Omwille van de grote schaarste spreek men kortaf,

    Dromen worden niet meer uitgewisseld.

    De letters wordt niet meer geoogst, gaten

    Vallen in de stremband, scheuren in de tong,

    Een akker zonder zaad.

    Iedereen is – zonder woordwaarde! - uitgesproken.

    Onder weinigen ben ik de enige die nog drie bezit.

    Een kapitale D klemt mij om nek,

    En met een schreefloze G roer ik eindeloos in kommetje O.

    Maar wat te moet met een Directeur Generaal Overzee?

     

     

  • 8
    5365

    TEKEN OP DE VLOER

    1e ronde

    TEKEN OP DE VLOER

     

    Wanneer de deur opengaat

    En je het eerste licht ziet

    Dat zich als een stijf

    Gestreken laken schoon

    Op de vloer te slapen legt.

    Zet dan een stap vooruit, buig

    En teken met je pen haar omtrek na.

    Aanraken mag je haar niet en je moet

    Weer overeind. Je stoot

    De deur voor eeuwig dicht.

    Dat kan niet anders. In het donker

    Licht je tekening ook niet meer op.

    Daar moet je mee leven.

    Maar wanneer de volgende keer

    De deur zich weer voor je opent,

    Dan leest zij je zwart gekaderd gedicht,

    Ze ziet je in het zwart geblakerd gezicht.

     

  • 9
    5366

    PARACHUTIST

    Top 1000

    PARACHUTIST

     

    De parachutist is uit de lucht gevallen, zomaar.

    Zijn vliegtuig trekt onverstoord een witte baan.

    Er is een noodparachute, die het ook niet doet.

    De parachutist komt zomaar uit de lucht gevallen,

    Onbarmhartig ligt een weiland voor hem klaar.

    De koeien staan op stal, geen boer is in de buurt,

    De parachutist komt zomaar uit de lucht gevallen.

    Ook na zeven dagen niemand die hem mist,

    De voorspringers en bemanning niet, geen toren,

    Geen uitkijk, buur of vrouw die naar hem tuurt.

    Zomaar gevallen, onzichtbaar in de wintermist,

    Geen jager hoeft er een schot aan te verspillen.

     De parachutist kan geen draad meer trekken

    Uit de levenslijnen in zijn valscherm vastgenaaid:

    Vallen is wat hij wil. - Het gras ligt bleek en stil.

  • 10
    5367

    DE PEN

    1e ronde

    DE PEN

     

    Vaarwel vriend, wij schrijven ons laatste bericht.

    Vastberaden voerde je mijn hand over de kaart,

    Samen vulden we de omtrekken in.

    We arceerden hoogten en diepten, kleurden

    De zee groen en haar troggen in het diepste blauw.

    Met fijne lijntjes trokken we dijken,

    Met breder zwart legden we onze grenzen vast,

    Geen werelddeel wat niet door ons werken

    Vorm en gestalte kreeg. Met bloedrode inkten

    Omsingelden we de hartstochtelijke kernen

    Van steden, woonhaarden, gehuchten.

    En soms gleden we uit over het gom, dat ook.

     

    Vaarwel vertrouwde vriend, wij zijn uitgeschreven.

    Aangebroken is de tijd der toetsenborden,

    Die werelden zonder legenda stippelt.

    Of niet .

     

    Wij waren lichaam, ziel en geest van een oude tijd,

    Wij, goddelijke pen, maagdelijk papier

    En melkwit stromende inkt.

     

    Wat onze handen in het zand hebben gedrukt

    En krasten in kleitabletten,

    Wordt nu in stofwolken onvindbaar weggeschreven.

    Of niet.

     

2012
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    2973

    HOOG WATER

    1e ronde
    Het is niets -
    Niets anders dan een oude boot.
    Een schip op een stil meer,
    Een voorbijdrijvend uitzicht.  
    Ik weet niet
    Waarom het me raakt -
    Om de oude bruine kleur van de zeilen,
    Om het neergelaten zwaard, wie weet.  
    Ik zie
    Dat die boot, die oude platbodem,
    Alles is.
    De rilling die over het water trekt,
    Ik dein erin mee.
    Die wimpel, die traag meegolft,
    Geen ander.  
    Ik zit aan het roer, ik hijs fok en grootzeil.
    Ik trek het zwaard op, haal het net naar binnen.
    Ik gooi vis in de bun, een anker uit.
    Storm raast over me heen,
    Tegenwind kerft banen in mijn kaken.
    Ik raak verstrikt in een schoot,
    Verwar de lijnen en verlijer.  
    Ik ben groter dan dat, ik ben
    Meer, zee en het luchtruim
    Waar ik voor huiver.
    Om mij heen bruisen
    Melkwegen, ik vang zeesterren
    Wanneer ik mijn Netten uitzet.   
    Ik ben een boei, een weerlicht,
    Ik ben nevel, mist en zon,
    Ik verzink in kalme zee.  

    Gerafelde seinvlaggen wuiven
    Radeloos naar de lege stuurmanshut.
  • 2
    2974

    IK HEB OP JE GEWACHT

    1e ronde
    Ik heb op je gewacht,
    Overdag en in de nacht.
    Ik heb je lang gewacht,
    In werken en in dromen.
    Op perrons heb ik op
    Je gewacht en op steigers,
    Steeds met lege ogen.
    Ik heb op je gewacht toen
    Ik dijken en terpen
    Opwierp en veraf je vloed
    Hoorde sissen, veraf.
    Nu je me halen komt, nu
    Zie ik meteen dat jij
    Niet hebt gewacht. Toen niet, nooit.
  • 3
    2975

    WINTERREIS

    1e ronde
    Zo nijdig als in maart
    Hijgen zijn honden nooit.
    Hangen in de riemen
    En dreigen met hun staart.
     
    Zo donker als in maart
    Is nooit de sneeuw gevlekt.
    Hun vaart stremt in vlokken,
    Met zwart verlies bekleed.  

    Elke hond heeft honger,
    De sneeuw is uitgeteerd.
    Onverstoorbaar zonlicht  
    Schroeit wakken steeds wijder.
     
    Gedoemd is wie zijn slee
    In maart nog jagen moet
    Over schrale ruggen.  

    Winterijs trekt terug,
    Het herinneren smelt.
  • 4
    2976

    BLOEDKORAAL

    1e ronde
    Zo onsterfelijk als ik was -  

    In het rode kerkje
    Waarin ik word geboren is
    Alles leeg, nu. Ik leer er spelen
    Op de grote orgeltoren, omhoog
    Kijken en nooit om te zien.
    Ook de school is vensterdicht.
    Binnen went de rest aan plicht,
    Ik hang aan de kapstok
    En droom van rokken met ruiten.
    Is verdwijnen een soort huilen?
    Nu speel ik een laatste bloedkoraal - nu  

    Zal ik nooit meer worden.
  • 5
    2977

    OUD LANDSCHAP

    1e ronde
    Ik wandel graag in dit oude landschap,
    Dat achter vrome dijken traag verzakt.
    Een hand koeien kuiert naar de avond,
    Geprikt door een wolk van zwarte woorden.
     
    Ze zijn me vertrouwd, de kromme wilgen,
    De varkens en hun donkere poelen.
    Mijn gang krookt het riet, krast rechte wegen,
    Dogmatiek in stilzwijgend craquelé.

    Dit koude landschap is uitgesproken,
    Een dood boek voor wie wil achterblijven.
    Ik wandel graag in dit oude landschap,
    Onder haar wit uitgeslagen hemel.  

    Wanneer het water weer gezakt zal zijn,
    Zullen wij - met de scheve kerktorens
    Van weleer - hier nieuwe sloten graven.
    Oude sporen vallen droog, weer vruchtbaar.
  • 6
    2978

    WELIG TIERENDE

    Top 1000
    Ik bouw mij op binnen een woekering van dijken,
    Dodelijk omarmen zij mijn grijze binnenmeren.  
    Ik groei op uit vast aaneen gestampte blauwalgen,
    Een stad met zandgestraalde bomen rondom beplant. 
    Om mijn stalen takken slingert zich bemost beton,
    Met gevlochten blad zijn mijn straten losjes gedekt.  

    Ik barst open, een doosvrucht met duizenden zaden.
    Met rijpe lobben lig ik te midden van parken          
    En tuinen uitgestrekt, van zuur verbrand vruchtvlees vol.
    In mijn bladoksels heb ik tuinschuurtjes verborgen,
    Met de schors dik en verkurkt. Op hellend vlak kan ik
    Niet gedijen, ik ben het kind van het waterpas.         

    Lukraak ingesneden door uitgestrekte dreven         
    Is mijn bladvorm. Mijn huizen rijgen zich veervormig
    Samengesteld aaneen, voor een bord rode mortel   
    Gekocht en geboren. Mijn penwortels zijn geheid   
    Op ondergrondse uitlopers van mijn gratenplan.       

    Schoon metselwerk beschaduwt mijn moestuinen, ik poot
    Verkeerslichten als grafzerken ongeweten neer.                   
    Onder het zomerlicht van opschietende torens                    
    Hoor ik de vuurstenen groeien, werk in uitvoering  
    Spijkert mij iedere avond nagelvast op bed.              

    Voor alle kwartieren en seizoenen breng ik groei,
    Aan komende geslachten reik ik hun stamelbossen.
    Hoger dan mijn dakpannen schiet hun hemel niet op,
    Puin ben ik, drijfmest voor hun eendaagse eeuwigheid.
  • 7
    2979

    GEEN WATER, GEEN IJS

    1e ronde
    Water is wat anders
    Dan nog niet
    Bevroren IJs.  

    Het is een tweeling
    Die niet trouwen kan.
    De één rimpelloos,
    De ander uitgedeind,
    Een zwemmer en een schaatser,
    Die elkaar niet verdragen.  

    Wacht je kalme zeeën,
    Mijd je ijsvlaktes,
    Beide zijn oeverloos dood.

    Werk met stoom
    Aan nieuwe wolken.
  • 8
    2980

    TIJD DER TANDENBORSTELS

    Top 1000
    Er is een tijd geweest
    Zonder tandenborstels.
    Deze tijd keur ik af.  

    Echte tanden waren
    Dit toen, maar veel te scherp.
    Te zwart ook en beroet.
    Ze stonden zij aan zij
    In een bloedrode kaak,
    Tot omvallen in geen
    Enkel gevecht bevoegd.  

    Nu is alles beter,
    Borstelen we zachtjes
    Aan welving, ronding en
    Suikerbestendigheid.  

    O tanden van weleer,
    Jullie waren alles-
    Vreters, bijtgraag, gereed 
    Om elk ongelegen
    Woord af te bijten,
    Scheurend des vijands vlees.  

    Dat is nu echt voorbij.
    Gelukkig zijn wij die
    Enkel worstelen met
    Onze tandenborstels,
    Strijdend tegen ons zelf.
    Die zichzelf vrijwillig
    Onderwerpen aan het
    Paciferend poetsen,
    Elke dag opnieuw, bij
    Ontwaken en slapen.  

    We winnen een verlies:
    De terreur der deugd sticht
    Der melktanden zege.
  • 9
    2981

    REGEN

    1e ronde
    In het vallen van de regen
    Beluister ik hoe mijn leven
    In werkzaamheid is uitgevloeid.
    Als het daarna windstil is valt
    De regen in mijn gedachten
    Op de gouden grond van vroeger -
    En weet mijn zijn nu opgedroogd.
    Ook als het onweert luister ik
    Naar het vallen van de regen.
    Ik ben dan dicht bij mijn moeder.
    Naar die regen luister ik met
    De doofheid van een spelend kind.
  • 10
    2982

    ENKELE MISVERSTANDEN RECHTGEZET

    Top 1000
    Het is niet het brein wat denkt
    De maag
    Het is niet de maag die honger heeft
    Het oog
    Het is niet het oog wat ziet
    De ziel
    Het is niet de ziel die liefheeft
    De vuist Het is niet de vuist die slaat
    De tong
    Het is niet de tong die spreekt
    Het hart
    Is de staart tussen mijn benen.
2011
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    5280

    RIK EN ROOS

    1e ronde
    RIK EN ROOS   Rik en Roos. Rik heeft een hond. Roos een poes. De hond heet A-dam. De poes E-va. Rik wil de poes. Roos de hond. Er zijn wol-ken. De zon is weg. Weet jij waar de zon is? Roos slaat Rik. De hond blaft. Er is ru-zie. Al-tijd zal er een E-va Zijn en een A-dam. Steeds zijn er een Rik en een Roos Ge-weest. Poes en hond zul-len Re-in-car-ne-ren. La-ter is het weer goed. De zon schijnt. Zie jij ook de zon? De hond snurkt en Roos. Rikt sopt de poes. Het lijkt wa-rem-pel Ge-prae-des-ti-neerd. Kijk niet om, Roos. Doe wel, Rik.  
  • 2
    5281

    VELDHEER

    1e ronde
    VELDHEER    Bomen moeten strak in het gelid staan. Stom en tot sterven bereid. Bomen moeten klaarstaan om op Mijn bevel voorwaarts te gaan. Bomen mogen geen bos zijn, niet op verlof, Bomen moeten willen buigen.   Bomen moeten niet groeien, in rotten Geplant volstaat. De beuken Voorop, in de achterhoede Wilgen. Eiken op de flank. Brede singels velt mijn schallend bevel.   Zo staat mijn houten slagorde, zoals ik Het wil. Met de bijlen geschouderd. In mijn bos trekken de bomen Hun zwarte laarzen niet uit.   In mijn bos wordt van de nacht niet gedroomd, In mijn bos op geen morgen gehoopt. In mijn bos zal geen bron wellen, Geen tak ooit sprookjes dragen.   Zo wil ik heersen, over een aangeharkt Park. Stram in de schors wachten op het Eerste schot. En dan bot kappen In het woud dat ik zelf ben.    
  • 3
    5282

    OUDE ATLAS

    1e ronde
    OUDE ATLAS    In de oude atlas drijven ze stil voorbij: ik Ruik Sumatra eerst. Dan de andere eilanden, Al net zo vreemd en vertrouwd: Java, Bali, Flores, En verder nog de Soenda’s. Verbleekt zijn hun kleuren,   Sepia resten van een koloniaal bestaan. Iets anders dan een zinsbegoocheling waren die Kaarten nooit. De witte vlek van bestuur en orde In heldere legenda vast bezegeld. Buiten   Zorg, zo wilden we dat leven. En de geheime Kruiden, de schreeuwende kleuren, het gewriemel, we Hoorden het niet, snoven niets op. Maar wat verbleekt Niet, wanneer de Merapi met as de hemel teert?   Ik sla dicht. Onopgetekende afzettingen Liggen ingeklonken onder mijn wuivend vlas. Ik, Die een inboorling der Bevelanden ben en buig Voor elke vorst van overzee. In de armen van   De Schelde wieg ik mijn eilanden, net als vroeger, Onontdekt, door geen vreemde macht in kaart te brengen. Hurkend kook ik op een laag vuur mijn geroezemoes - En weet dat mijn springtij alles zal overstromen.  
  • 4
    5284

    KAMERGELEERDE

    1e ronde
    KAMERGELEERDE     Mij kan niets gebeuren. Voor water Ben ik wel bang, maar ik sta stevig. Mij overkomt niets. Ik zou kunnen Verdrogen, maar veel dorst heb ik niet. Ik leef plantaardig en buig mijn blad Om elke wilde wind. Ik sta stil, Maar vang iedere zonnestraal. Ik ben niet meer dan de grasspriet, Toch word om mijn kruin niet gemaaid. Ik neig, maar met behoud van blad. Mijn schaduw heeft niets te verbergen, Anders dan die van het denkend riet. Ik zal niet al te vast wortelen, Want was zo kien mijzelf te snoeien.  Aldus kan mij niets gebeuren, want Ik sta op potgrond universeel.   Uitloper. Over bloei en zaadschieting wordt door mij des nachts Grondig nagedacht. Uiteindelijk, weet ik, ben ik toch meer uit op Enkel overdracht.      
  • 5
    5285

    WERELDRIJK

    1e ronde
    WERELDRIJK   Daarna heb ik mijn ogen witgekalkt. Scherper dan ooit zie ik nu met mijn rug.   Ons uur is dat van de helverlichte Middag, het heetste en het kortste. We varen uit en op alle kusten Klautert onze hongerige vlag. Overal breeuwt ons geloof de naden, Uit onze pepermolen knerpt macht. Onovertroffen onze rijkdom, Die is uit welriekend nootmuskaat.   Al te snel zijn we in slaap gevallen. Hoe weinig, tong, rolde jij nog je Bevelen uit. In de hangmatten sliep Afval, onze ondergang heette maag.   Weerzien is een scheepslading honger, In wegkijken zijn mijn ogen verstard.   Op mijn rug drijven prauwen, een vloot Traag schommelende herinneringen.    
  • 6
    5287

    OVER DE MONDIGHIED DER DOELEN

    1e ronde
    OVER DE MONDIGHEID DER DOELEN   Achter hun rug hangen gaten leeg te zijn. De doelmond is een deur die niet open mag. De doelmond heeft een dubbelganger, die ook niets zegt. Stom staan de doelmonden elkaar aan te kijken. Met open ogen, zonder te gapen – moe mag een doelmond nooit worden.   Steeds is de overzijde de tegenstander. Steeds loert de bal op inslag. De doelmonden zijn monden die nooit honger mogen hebben. De doelmonden zijn lippen, die elkaar nooit vinden. In hun huwelijk wordt de liefde enkel beleefd Achter hun rug, achter lijnen, wit en weggetrokken.    
  • 7
    5288

    STRIJKPLANK

    1e ronde
    STRIJKPLANK   Als ze werkt, draagt ze kleren. Alléén Wanneer ze werkt – nu kijkt ze me aan, Verveeld, een en al afwachting, haar Benen gekruist onder maagdelijk   Flanel. Het maakt haar niet uit welke Kleren ik haar geef. Geen geschenk is Haar goed genoeg, zij draagt alles met Houten onverschilligheid.   Warm wordt ze, een beetje, wanneer ik Haar nader met mijn ijzeren gloed.   Koel ook dit papier, in afwachting Van schone, ongestreken woorden, Nog te stijven en te strijken, strak In de plooi. Uniform mijn ideaal.   Met het ijzer zal ik mijn woorden Schroeien - tot ik warm word en me brand   Aan het uitzicht door het gat en de Nog narokende randen.   
  • 8
    5293

    BRANDUREN

    1e ronde
    BRANDUREN   Hier hang ik, één in een lange rij Palen langs de weg. Ik sta in brand. Duizend uur gegarandeerd op laag Wattage en peilloos veel lumen.   Strak geschroefd hang ik in mijn fitting, Aangestoken aan het avonduur. Steeds doorschijnender ben ik enkel Peer in universeel armatuur.   Elke nacht is zwakstroom mijn water, Aan de buitenste duisternis vreet Mijn gloeidraad zich kaal. Tot levensduur Aan vervanging daalt mijn lichtopbrengst.   Ik ben als kleine kaars geboren, Aan eeuwig schijnsel aangestoken. Buiten de lichtkring van het bestaan Brand ik mij een gaatje in de berm.  
  • 9
    5294

    VLIEGER

    1e ronde
    VLIEGER   Van het zwijgen Beheers ik alle vervoegingen. Dof klink ik na In voorgoed verlaten mijngangen. Ik blink op de kruin Van stilgevallen dromerdijken. Een rijk regeer ik Van goedgekoelde gemeenplaatsen.   Na weer zo’n dag Zie je mij op het strand. Ik laat een vlieger op En schreeuw tegen de golven.  
  • 10
    5295

    LICHTOPSTAND

    1e ronde
    LICHTOPSTAND   Ik ben een boei, een hecht verankerd Gevangene van de zee. Ik ben willoos, in haar ondiepten Oppervlakkig vastgezet. Met elk tij beweeg ik machteloos Mee, aan iedere stroming Geef ik toe – zover mijn ketting gaat.   Met een knipperlicht ben ik getooid, Verlicht een pad dat ik niet ken. Met felgekleurde tekens bescherm Ik de vaarwegen die ik haat. Met mist brul ik onvrijwillig mee  In het koor van de juiste koers.   Ik wil niet meer meedeinen, ik wens Weg te drijven, grillige lijnen Te trekken op de witste stranden, Ik wens toe te geven aan het vrij Gewicht van de eigen zwaartekracht.
  • 11
    5297

    KEUKENKAST

    Top 1000
    KEUKENKAST   Ik berg alles. Ik bied plaats aan poetsdoek en koperpoets. Schuurmiddel, groene zeep, schoonmaak azijn: Bij mij vinden ze veiligheid en Een vergeten plek in een stille hoek. Flessen met onbestemde inhoud en lang Vergeten toepassingen – bij mij Zijn ze verzekerd van een eigen kring. Voor ontstoppers heb ik altijd plaats. Ook voor veger en blik ben ik De vaste woon- en verblijfplaats. Ik berg alles, ik ben hun laatste rustplaats, Hun asiel, hun kerk, tempel en stad. Ik huisvest – zij het tijdelijk – ook het huisvuil. Alles berg ik, maar niet de Ontkistingsmiddelen - Die niet.      
  • 12
    5302

    KOP

    1e ronde
    KOP   Mijn hoofd is blauw, het bibbert tussen hoge wolken. Zo zwart zijn die wolken, dat je anders niet ziet. Gele wenkbrauwen bedreigen mijn gele neus. Ik mis een mond, dus kan niet bijten. Mijn ogen Zijn ook geel en opgesloten, wel lekken ze Gifgroene straling. Ik draag een sjaal, die is van gras. Gevaarlijk groen Is ook de sjaal, hij bijt naar het blauw. Het meest mis ik mijn oren. Die zijn gaan Luisteren naar het doven van het vuur.   In mijn wolken hang ik ingeraamd, Verheven, vergeeld en nasmeulend.  Toch heeft de schilder me herkend, Koelwaterstreling.  
2009
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    9493

    TOPONOMIE

    1e ronde
    TOPONOMIE


    Doen we dicht een beetje open, dan ontstaat een kier.
    Haal je het boven naar beneden, dan heet dat hier.

    Leg ik laagte op de hoogte, dan staat daar een kruis.
    Draai verweg door dichterbij en wat je hoort is ruis.

    Wij ijlen achterlangs en voorbij zwaait door naar kwijt.
    Ik noem mijn ruimte een ogenblikje ledigheid.

  • 2
    9494

    FLUISTEREN

    1e ronde
    FLUISTEREN


    Vier is ze, en samen staan we in het antiquariaat.
  • 3
    9495

    MARS

    Top 100
    MARS

    Een steen been,
    Klagen wij knarsen dwars.
    Twee zee nee,
    Stampen wij strammen bars.
    Drie zie wie,
    Waken wij wachten wars.

    Vier bier dier,
    Lacht de licht de rode lucht.
    Vijf lijf stijf,
    Lijd de mijd de zwarte zucht.
    Zes bres mes,
    Oranje gromt strijdgerucht.

    Zeven leven geven,
    Lijk en lijken vergelijk.
    Acht kracht nacht,
    Arm arm beent voor ongelijk.
    Negen regen tegen,
    Rijken wijk: het hemelrijk.
  • 4
    9496

    DICHTERLIJKE VRIJHEID

    1e ronde
    DICHTERLIJKE VRIJHEID


    Dit gedicht vervalt in veertien regels
    Bevriezende vrijheid, einde open.
    Taal waar ik niet wilde zinnen lopen
    In het wit, het vijftal klinkers, tegels.

    Dit gedicht ligt stil op zich te wachten,
    Tegenspraak die dan weer opnieuw begint.
    Redeloze stenen zichtbaar zelf blind
    Bergen dit woord kil in mijn gedachten.

    Ik besta uit gaten zonder gewicht:
    Verstop het teken in het zwarte lint
    Van wat je leest en zoekt en toch niet vindt.

    Dit gedicht, zo helemaal jouw gezicht,
    Lacht haar eigenheid in lome tropen,
    Weeft een nieuwe draad door al mijn knopen.


  • 5
    9497

    WEGGEWAAID

    1e ronde
    WEGGEWAAID


    Witte dwerg lag stom onder het eeuwig eb en opgewaaid uit die schorre ban
    ontplooid tot wandelduin ben ik nuchter nu zwarte man.
    De noordenwind slaat stuifzand over in de regenboog
    verbergt dijk in helling, windhond jaag ik oranje hoog.

    Uit de luwte van het gele niemendal adem ik windstilten rimpelen
    het gras, hoor de mees, de blauwe, hier groenlands pimpelen.
    Blauw verspreidt de wind, zij verstilt tot schemer en vol vlas
    wuift een inzicht in nevel, dat duister golvend waar was.

    Rode baretten behoeden de mist, zilte hemel onder houten reuzen;
    dood tij ontstemt, daar verkillen alleen paarse neuzen.
    Even was ik hoog open - dauw sijpelt grondig terug
    naar zee, de wind krimpt me, ik verbleek en word weer stug.
  • 6
    9498

    FLESSENPOST

    1e ronde
    FLESSENPOST


    Vel is mijn ziel, een zeil van papier.
    Vulpen mijnmast, ik ben boekanier.
    Schipbreuk
  • 7
    9506

    THALES EN DE PRIMA MATERIA

    1e ronde
    THALES EN DE PRIMA MATERIA


    Zijn hoofd loopt vast in de sterren
    en hij stapt, stom, in de put. Dan
    wordt het nevelig, met dromen.
    Zij, onbekend nog, lacht hem uit.

    Hij richt zich op, is rood, klimt
    de berg op. Huivert, wil het
    kwijt en zet de tweede stap.

    Een schreeuw in een krater.
    Rondom dauwt hij uit, weet:
    - toch heet alles water.

    (Zij komt iets later)


  • 8
    9507

    ZEEWERING

    1e ronde
    ZEEWERING


    Zwart ligt mijn beschoeiing om mij heen.
    Jij rijst en daalt met ieder tij,
    Schelpen geef je vrij, mossels. Wier en zand
    Spoel je aan op mijn huid van teer.
    Niets weten wij van elkaar,
    Van diepte, achterland.
    Ik breek je wind op grauw basalt,
    Bewaak de dode polder.
    Ik blijf staan waar ik lig.
    Kei en klei is mijn bestaan, drempel
  • 9
    9508

    MARIKEN VAN NIEUMEGEN

    1e ronde
    MARIKEN VAN NIEUMEGEN


    Met mijn drie riemen om de hals ben ik
    Al van ver verdacht. Ik draag ook gouden
    Ringen, teveel, op plaatsen onverwacht.

    Ik hanteer de zwepen op eigen kracht,
    Kat met zeven levens, het blind bevel
    Eis ik op, meester over elke man.

    Namen draag ik niet, maar alle dronken
    Vrije kunsten delen in mijn vals spel.
    Aan elke arm banden, zilver, elk drie.

    Noem mijn witte vijand gerust bij naam;
    Niet geloof, hoop en liefde, alles schijn.
    Ik kies zelf deze leer, dit vol bestaan.

    Ervaren wil ik uitersten, pijn, zelfs
    Uit gemeenschap bandeloos god te zijn. -
    Maagd gebleven, altijd de hoer gespeeld:

    Er was een wonder nodig, boeten kon
    Geen ander dan ik zelf, een duivelin.
    En nu mijn ringen zijn weggenomen,

    Nu is mijn naam verlost, Maria klaar.
  • 10
    9509

    FORTISSIMO

    1e ronde
    FORTISSIMO


    Veel had je niet te doen, je
    Zat daar zo stil achteraan,
    Nog achter fagot en contrabas.
    Stom trok het voorspel aan je voorbij.

    Voor het hoogtepunt ging je
    Staan - met de linkerhand streek
    Je even je rok nog glad
  • 11
    9510

    OPLOSMIDDEL

    1e ronde
    OPLOSMIDDEL


    Geurig vernis veeg ik over mijn woorden,
    Volzinnen kleur ik in met gouden kwasten.
    Een linnen kieltje, strak geknoopt, trek ik mijn
    Beeldspraak aan. Een ezel, uitgestrekt wachtend
    Op gloeiend lof en dure verzilvering.

    Geen doek, rafels. Geen vuur, ijs.

    Ik kras hier alleen in mijn witte vlak.
    Zwarte lijnen schaatsen een lus
    Om mijn wenkend
    Wak.
  • 12
    9511

    SCHERVENOORD

    1e ronde
    SCHERVENOORD


    Naar Egypte varen de Grieken met hun wijn,
    En Fenici
  • 13
    9512

    ARCHIPEL

    1e ronde
    ARCHIPEL


    Om het blauwe eiland moet je de polder verlaten,
    Binnendijks staat je leven stil in een sloot.

    Vele havens, vele stromen doe je aan, in verre
    Landen vind je soms een enkel vrekkig bed.

    Groen is altijd de zee en geel de gierige wolken.
    Om het blauwe eiland te vinden is je

    Al dit troebel zwerven niet genoeg. Alles klemt. De dijk
    Doorsteken dan, je zet je ziel onder water,

    Geen land dat meer drijft. Jij bent dat blauwe eiland, al van
    Ver zichtbaar. Je bent onbewoonbaar verklaard,

    Vruchtbare vulkaan. - Nu graven wij er zwarte scherven,
    Je archipel van rokende verhalen,

    Wat hese gedichten, een rauwe droom, je schipperspet,
    Heimwee op een vloedlijn verfomfaaid gestrand.

    Jouw eiland heeft teveel oever, maar wij vinden aan die
    onrust ons nieuw land: zee met zomersproeten.

  • 14
    9513

    THALES, ANAXIMENES EN ANAXIMANDER

    1e ronde
    THALES, ANAXIMENES EN ANAXIMANDER


    Zijn hoofd loopt vast in de sterren
    En hij stapt, stom, in de put. Dan
    Wordt het nevelig, met dromen.
    Zijn verwanten lachen hem uit.

    Zij richten hem op en klimmen
    De berg op. Hij huivert, wil hen
    Kwijt en schreeuwt luid in de krater.
    De stilte kringelt na, verdampt.

    Het water en de wet. Weefsel
    Om het gat. De helling waarop
    De beelden golven, uitbarsting
    Van de heren drie-enigheid.

    Zonder doek is het water slechts
    Diepte. Zonder water verbrandt
    Het beeld, vormeloosheid behoeft
    De wet. Anders rest enkel rook.

  • 15
    9514

    SLECHTS OP BEZOEK

    1e ronde
    SLECHTS OP BEZOEK


    Ooit heb ik een buurvrouw gehad, ze heette
    Lena. Ik heb haar nauwelijks gekend, haar
    man was een boer. Dinsdag marktdag. De oogst werd
    Meteen verdronken. Ze moest wel hard bestaan.

    Toen ze op het laatst in het ziekenhuis lag,
    Woonde ik al in de stad en het was vlakbij.
    Van de dokter mocht ik wel tien minuten,
    Anders dan een verpleger kwam er toch niet.

    Ik dacht dat ze dood was. Aan zoveel slangen
    Moest je lang bezweken zijn. Ik mompelde
    Mijn naam. De sinaasappel haalde ik niet
    Tevoorschijn, geen stilte liet zich hier schillen.

    Toen ik wegging, veel meer had ik niet gezegd,
    Kreunde het bed, over het vlas, dat goed hoog
    Stond. Ik ging en gaf haar nog een hand. Ik dacht
    Dat ze dood was, maar die laat zij nooit meer los.

  • 16
    9515

    OUDE ATLAS

    1e ronde
    OUDE ATLAS


    In de oude atlas drijven ze stil voorbij: ik
    Ruik Sumatra eerst. Dan de andere eilanden,
    Al net zo vreemd en vertrouwd: Java, Bali, Flores,
    En verder nog de Soenda
  • 17
    9516

    AFBAKKEN

    1e ronde
    AFBAKKEN


    Ik neem een boterham,
    Wat ik al vijf en veertig jaar doe.
    Ik smeer mijn brood met boter,
    Wat ik al vier en veertig jaar doe.
    En eet de gesmeerde boterham met hagelslag -
    Wat ik al twee en veertig jaar doe.

    Zo ben ik geworden wat ik ben.
    Maar wat ik had moeten, willen zijn
    Ben ik niet. Ik had mijn woorden als
    Sukade moeten strooien,
    Meel en zout moeten mengen,
    Mijn beelden moeten kneden,
    Gist en water moeten toevoegen,
    Gedichten had ik moeten kerven
    In het rijzend deeg dat leven is.

    Ik moest en durfde niet.
    Ik blijf de bakkerszoon, die wel weet
    Wat bakken is - maar huivert
    Voor de oven. En zijn broodblikken
    Ziet staan, zwart, alle gevuld met onbeschreven deeg,
    Voortijdig opgebaarde dromen.




  • 18
    9517

    UITLAAT

    1e ronde
    UITLAAT


    Hard slaan we de portieren
    dicht, zo praten wij.
    De auto scheurt ons sneller
    verder uit elkaar.
    Thuis gekomen staan we nog
    meer stil. En smoren
    onze tegenspraak achter
    gesloten deuren.
    Oorschelpen kleven tegen
    het hoofd, natgeschreeuwd.
    Uit de schoorsteen walmt onze
    trots. Gesmolten, zwart.

  • 19
    9561

    VELDHEER

    1e ronde
    VELDHEER


    Bomen moeten strak in het gelid staan.
    Stom en tot sterven bereid.
    Bomen moeten klaarstaan om op
    Mijn bevel voorwaarts te gaan.
    Bomen mogen geen bos zijn, niet op verlof,
    Bomen moeten willen buigen.

    Bomen moeten niet groeien, in rotten
    Geplant volstaat. De beuken
    Voorop, in de achterhoede
    Wilgen. Eiken op de flank.
    Brede singels velt mijn schallend bevel.

    Zo staat mijn houten slagorde, zoals ik
    Het wil. Met de bijlen geschouderd.
    In mijn bos trekken de bomen
    Hun zwarte laarzen niet uit.

    In mijn bos wordt van de nacht niet gedroomd,
    In mijn bos op geen morgen gehoopt.
    In mijn bos zal geen bron wellen,
    Geen tak ooit sprookjes dragen.

    Zo wil ik heersen, over een aangeharkt
    Park. Stram in de schors wachten op het
    Eerste schot. En dan bot kappen
    In het oerwoud van mijzelf.
  • 20
    9562

    RIK EN ROOS

    1e ronde
    RIK EN ROOS


    Rik en Roos.
    Rik heeft een hond.
    Roos een poes.
    De hond heet A-dam.
    De poes E-va.
    Rik wil de poes.
    Roos de hond.
    Er zijn wol-ken.
    De zon is weg.
    Weet jij waar de zon is?
    Roos slaat Rik.
    De hond blaft.
    Er is ru-zie.
    Al-tijd zal er een E-va
    Zijn en een A-dam.
    Steeds zijn er een
    Rik en een Roos
    Ge-weest.
    Poes en hond zul-len
    Re-in-car-ne-ren.
    La-ter is het weer goed.
    De zon schijnt.
    Zie jij ook de zon?
    De hond snurkt en Roos.
    Rikt sopt de poes.
    Het lijkt wa-rem-pel
    Ge-prae-des-ti-neerd.
    Kijk niet om, Roos.
    Doe wel, Rik.
  • 21
    9563

    DDE TALEN

    1e ronde
    DODE TALEN


    Het schoolplein laat de laatste voetstappen los. Nog een
    Vergeten jas in de gang. Het verlaten lokaal
    Wandelt sloom naar de grote vakantie. Hier staar ik
    Naar de historische platen. Alles is nu stil.
    Het Isra
  • 22
    9564

    TELRAAM

    1e ronde
    TELRAAM


    Wandelend op het strand tel ik al het
    Opgeworpen zand. De uitkomst blijkt niet
    Anders dan verwacht, veel enen wiegend
    Op evenzoveel nullen. Ten diepste
    Bevredigd stap ik in een gereedstaand
    Zandkasteel. Wanneer achter mij het hek
    Neerzakt zie ik dat ik mij t
  • 23
    9565

    IK KAN

    1e ronde
    IK KAN

    Ik schreeuw, fluister en bid. Spreek.
    Ik ontsteek vuur.
    Ik tem het beest (verleerde vis te vangen).
    Ik fok, veredel en sterf af.
    Ik kan kappen met mijn vuurstenen bijl (ontbos mijn eiland).
    Ik kan moorden, liefhebben.
    Ik jaag met mijn legers over heel de aarde, brandschat.
    Ik vis en vaar (over de Stille Zuidzee westwaarts).
    Ik speel en gok, maak verlies- en winstrekening op en knoei.
    Ik kalligrafeer heilige schiften (wie bewaart de betekenis van mijn bottenschrift?)
    Ik droom en wandel in mijn slaap, verbeeld.
    Ik hol uit, hamer en zaag (zonder mijn kano is geen werktuig).
    Ik kan mijzelf veranderen, ik kan man zijn, vrouw.
    Ik kan denken, liefhebben, kan mijzelf te buiten gaan.
    Ik kan ondergaan, ik kan boven mijzelf uitstijgen.
    Ik kan mijzelf zien, horen (hoe kortneus kraakt onder langoor).
    Ik wil, regeer, beslis en leid.
    Ik kan rechtspreken, vlecht noten door touwen.
    Ik kalefater schepen op (alle versplinterd toen Jacob Roggeveen opdook).
    Ik heers over vele volken, rijken, schatten kan ik in vlammen op laten gaan.
    Ik vorm groepen (tot uitroeien toe).
    Ik verzin goden, ontwikkel een kosmos (richt manshoofden op, met zeevrees).
    Ik kan het firmament omvangen.
    Ik stel doelen, beweeg.
    Ik vertel en bewerktuig mijn wereld.
    Ik versier mijn herinnering, ik boetseer mijn lichaam (zolang tot ik de vogelgod ben).
    Ik kan leren.
    Ik kan kometen bewonen en huis in elementaire deeltjes.
    Ik kies en kan besluiten te onderdrukken (wie geen knot draagt).
    Ik vlieg en zwem.
    Ik sluier mijzelf en geef mijzelf weg.
    Ik tooi mijn bestaan met hi
  • 24
    9566

    KAMERGELEERDE

    1e ronde
    KAMERGELEERDE


    Mij kan niets gebeuren. Voor water
    Ben ik wel bang, maar ik sta stevig.
    Mij overkomt niets. Ik zou kunnen
    Verdrogen, maar veel dorst heb ik niet.
    Ik leef plantaardig en buig mijn blad
    Om elke wilde wind. Ik sta stil,
    Maar vang iedere zonnestraal.
    Ik ben niet meer dan de grasspriet,
    Toch word om mijn kruin niet gemaaid.
    Ik neig, maar met behoud van blad.
    Mijn schaduw heeft niets te verbergen,
    Anders dan die van het denkend riet.
    Ik zal niet al te vast wortelen,
    Want was zo kien mijzelf te snoeien.
    Aldus kan mij niets gebeuren, want
    Ik sta op potgrond universeel.

    Uitloper.
    Over bloei en zaadschieting wordt door mij des nachts
    Grondig nagedacht.
    Uiteindelijk, weet ik, ben ik toch meer uit op
    Enkel overdracht.



  • 25
    9583

    WERELDRIJK

    1e ronde
    WERELDRIJK


    Daarna heb ik mijn ogen witgekalkt.
    Scherper dan ooit zie ik nu met mijn rug.

    Ons uur is dat van de helverlichte
    Middag, het heetste en het kortste.
    We varen uit en op alle kusten
    Klautert onze hongerige vlag.
    Overal breeuwt ons geloof de naden,
    Uit onze pepermolen knerpt macht.
    Onovertroffen onze rijkdom,
    Die is uit welriekend nootmuskaat.

    Al te snel zijn we in slaap gevallen.
    Hoe weinig, tong, rolde jij nog je
    Bevelen uit. In de hangmatten sliep
    Afval, onze ondergang heette maag.

    Weerzien is een scheepslading honger,
    In wegkijken zijn mijn ogen verstard.

    Op mijn rug drijven prauwen, een vloot
    Traag schommelende herinneringen.

  • 26
    9584

    KAPSEIZEN

    1e ronde
    KAPSEIZEN


    Verder een rimpelloze avond.
    Gewoon eten met gewone mensen,
    Bladstille bediening op geruisloze achtergrond,
    Betrekkelijk onbeduidende zaken, soms
    Iets minder onbeduidend uitgewisseld.

    Afscheid nemen we buiten, we
    Zwaaien in de zeegaande regen
    Die mij onverhoeds overstroomt
    Zodra jij je zuidwestertje opzet
    En in mij de storm opsteekt.

    - Nooit zonk sneller mijn schip.
  • 27
    9585

    OVER DE MONDIGHEID DER DOELEN

    1e ronde
    OVER DE MONDIGHEID DER DOELEN


    Achter hun rug hangen gaten leeg te zijn.
    De doelmond is een deur die niet open mag.
    De doelmond heeft een dubbelganger, die ook niets zegt.
    Stom staan de doelmonden elkaar aan te kijken.
    Met open ogen, zonder te gapen
  • 28
    9586

    STRIJKPLANK

    1e ronde
    STRIJKPLANK


    Als ze werkt, draagt ze kleren. All
  • 29
    9587

    SCHEEPSBERICHTEN

    1e ronde
    SCHEEPSBERICHTEN


    Lang heb ik gezocht naar waterdichte woorden,
    Je weet wel, die van eiken, recht van nerf.
    Woorden om een arkenvloot
    Mee te bouwen, voor ons alleen -
    En wat van onze spullen.
    Woorden voor alle wereldzee
  • 30
    9588

    ENKELE MISVERSTANDEN RECHTGEZET

    1e ronde
    ENKELE MISVERSTANDEN RECHTGEZET


    Het is niet het brein wat denkt
    De maag
    Het is niet de maag die honger heeft
    Het oog
    Het is niet het oog wat ziet
    De ziel
    Het is niet de ziel die liefheeft
    De vuist
    Het is niet de vuist die slaat
    De tong
    Het is niet de tong die spreekt
    Het hart
    Is de staart tussen mijn benen.