Biografie van Monique Wilmer-Leegwater

Monique Wilmer-Leegwater (1966) woont in Borne en is werkzaam in de financieel-administratieve sector. Zij heeft een passie voor poëzie en het schrijven ervan. Zo organiseert en presenteert zij poëzieavonden in haar woonplaats. Na het volgen van poëzielessen aan de Schrijversvakschool te Amsterdam, waar ze les kreeg van Froukje van der Ploeg, is ze met haar werk naar buiten getreden. Sindsdien is ze al meerdere keren genomineerd voor poëzieprijzen bijvoorbeeld voor de Plantage Poëzieprijs 2020, ook nam zij deel aan de online versie van Dichters in de Prinsentuin 2020. In 2019 werd Monique genomineerd voor de Rob de Vos-prijs, in 2020 won zij de tweede prijs. Ze heeft gepubliceerd in het online poëzietijdschrift Meander. Onlangs heeft zij zich uit overtuiging aangesloten bij de Klimaatdichters. In 2021 is zij wederom uitgenodigd om op te treden in de loofgangen bij Dichters van de Prinsentuin. Onlangs werd zij genomineerd voor de UMC Poëzieprijs Amsterdam. Foto: Irene Snijders Fotografie
2020
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    2931

    Dat het lente leek en ook weer niet

    Top 100
    Op een witte weg kwam ik mijn moeder tegen.
    Het was nog vroeg, ze droeg een gele capuchon
    en groene schoenen. Het was december, de zon
    scheen vals.
     
    Ze stond als een schim zo stil, ik wist niet
    of ik haar kende. Ze  scheen zo broos en
    klein. Zij kon nooit mijn moeder zijn.
                 Toch had ik haar handen.
     
    Ze sloop naderbij en zette haar onthutste
    nagels in mijn armen. We bestelden brood en
    thee, aten een salade als het lichaam dat
     
    we vroeger deelden. Sla als gras tussen
    onze tanden. Of we nog iets anders
    wensten. Ik kon wel wat bedenken
    maar was bang het lot te tarten.
     
    Ze zei
     
    dat ze twijfelde of het wel december was
    dat het misschien toch lente was want
    ze hoorde merels zingen. Ik veegde
     
    haar lente van tafel, brak haar broze
    vingers  een voor een. Zocht naar restanten
    van lente of iets wat daar op leek
     
    vroeg me af
     
    of lente iets achterlaat
    hoe ver je terug kunt gaan
    hoe lang je lentes nodig hebt.
  • 2
    2585

    Het ultieme gebaar

    Top 1000

     
    dat er iets van god in je komt, uit
    dit geniepige struikgewas geslopen
     
    op deze plek van de aarde want
    waar kun je anders zijn om
     
    evenbeelden neer te smijten
    barakken kapot te trappen
     
    er is teveel onrust in mijn kleine brein
    en het blijft maar rommelen
     
    als er iets van god in je komt, stromend
    uit de Negende van Beethoven
     
    ik met mijn vingertoppen nieuwe
    contouren weet te kneden
     
    om tot een eenheid te smeden, en
    weet dat ik mezelf niet sparen kan
     
  • 3
    3031

    Het verlangen tot ontbreken

    Top 1000
    Slechts de bellen waarschuwden ons. Terwijl we klommen
    als geiten. Jij maakte een kommetje van je handen. We
    dronken. Keken naar de vallei onder ons waar
    zomerkoeien graasden.
     
    We zagen hun hoeven met besmeurde moddertenen,
    hoorden het kalme scheuren van het gras.
     
    We lagen in het laagland niets te wezen en keken naar
    een lucht waar vogels vlogen, vroegen ons af  hoe ze ons
    zagen, zich zouden verbazen over
    wat we daar deden.
     
    Ja, ook hoger zwermden er nog zomerkoeien, roodbont
    en zwartgevlekt. In hun ovalen oren gele labels aangehecht.
    7403. 2578. 1773. 9875.

    De natte neuzen lekten druppels vocht, de spenen van hun uiers.
    Ik zag alleen maar goedheid
    in hun ogen. 
     
    Ergens houdt de hemel op en wat er achter ligt
    wil ik niet weten.
  • 4
    1116

    Wende

    Top 1000

     
    kijk, in deze termendraf
    wordt alles een absoluut gebaar
    deze kermenvloed, dit berkenboet
     
    wanselt het dorp ekerharten tot bloedens toe
    draagt velkerkronen naar hutten en kerken
    drinkt aspensap uit blauwe kelken, tot
    sterrenmasten, maanbedrog
     
    het schijnsel uiteindelijk bleek geworden
    dek ik de wende onder mos en blad, kus
    het donselige wamseltje, tussen grens
    van dauw en damp, het stil geworden
    drachtelijn, dag poppedein, dag
  • 5
    1115

    Zicht op Ithaka

    Top 100

    hoe kun je zeggen dat de aarde me vreugde geeft, nu ik me zoveel zorgen maak
    vreemd, ik zie er ouder uit, terwijl ik van binnen nog dezelfde ben
    er is iets dat me last bezorgd als ik naar buiten ga, ik kan
    ze niet allemaal redden
     
    elke geboorte is warm met een hartenklop die ik beschermen moet, behoeden
    voor gevaar, weg moet slepen, wegdragen, begraven, verbergen
    zoals de roodbonte haar achtste kalf in de bossen
     
    je kunt me geen opdracht geven, ik heb een laf vertrouwen in beslissingen van
    anderen, wie lijkt het meest op mij, ik wijs een voorbeeld aan
    kijk zo
    zo wil ik zijn, zo wil ik
     
    iemand die niet opgeeft, iemand die vasthoudend is
    niet lafhartig is zich uit te spreken, de nek uit te steken
    ik wil degene zijn die niet opgeeft, waarnaar gewezen wordt
    zij is het, zij,  iemand die niet opgeeft
    Minzame lach.
     
    II 
    hoe kun je begrijpen wat ik zeg als je je eigen taal niet kent
    je weet niet hoe het was hoe de wei vol met andere dieren
    de stelen met hun gele hart, dat het scheuren van gras
    op een bepaalde manier rustgevend klinkt, in melk een
    onvermoeibare moederziel ligt, een vage geur van vier magen
    zo ver kun jij niet terug
    Zwijgt.

     
    III 
    vergeet niet dat onwetendheid een weloverwogen keuze is als je andere
    dingen verlangt die je niet durft uit te spreken
    ondanks mij kun je leven misschien omdat je
    geen lijden kent, kun je het leven verwerven, tot je nemen, verdienen
    kijk ‘s morgens over de velden naar de opkomende zon, hoe het licht elke
    ochtend anders is, de vogel op een nieuwe plek
    Jubelt.
2019
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    2029

    Wisselplaats

    Top 1000

     
    Verlaten zijn de paden waar ik loop, vooral die verdraag ik.
    Laten we zwijgen als we elkaar tegenkomen.  Ik zal je niet
    herkennen. Mensen
    zie ik over het hoofd, dieren niet, geen dieren.
                               Die zie ik altijd.
     
    Ik kies voor het pad dat ik niet eerder zag. Er zijn afgesleten
    stenen, keien,  een kleine brug, het water roest bruin. Of er ijzer
    in zit, vraag ik het paard.
     
    Of  ijzer naar bloed ruikt, of bloed naar ijzer, vragen we ons af. Of
    we het samen drinken kunnen.
     
    Zij kent het smalle gras, dit karrenspoor, haar neus blaast dunne
    wolkjes uit. Ze staat niet graag alleen zegt zij  - er waren andere
    dieren -           en vraagt of ik nog blijven wil.
     
    Ze dampt de ochtend in mijn handen. Deze ogen hebben geen
    wimpers nodig. Met lippen als zachte was, warm en kneedbaar
    - alsof ze zich zonder tanden weet - zo strijkt ze langs mijn schedel.
    Als ben ik haar met vier benen, met hoeven, in die wei, zo worden wij.
    Met tere snuit. Een staart
                                   die vliegen verjaagt. Fluwelen oren.
     
    Er wasemt stoom van haar machtig lijf,  zo krachtig hoe zij staat en
    kijkt. Tussen ons  een ijle lijn waar zij naar luistert. Haar vacht ruikt
    naar vrede, naar wegen die ik nog niet ken.
     
    Als het regent, schuilen wij in elkaar, noemen elkaar bij naam.
                                    Raken niet uitgepraat over de bomen.
2018
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    2797

    Geest van goud

    Top 1000
    Geest van goud
     
    Ik adem de lucht van mijn vader
    als zijn gepoetste veterschoenen
    schuifelend struinen door kamers
    waar niemand nog in woont
     
    We zijn schaduwen op de muur
    als ik sterren strooi op de trap
    loden voeten houden ons hier
     
    Dit huis waarin hij vader was,
    heeft een tuin vol paardenbloemen
    hij oogstte er groente, zaaide het gras
     
    Maar zijn stoel slaapt, het tapijt zwijgt,
    koestert de deken het kille kussen
    ben ik een verzinsel in zijn hoofd