Biografie van Rogier de Jong

Rogier de Jong (Groningen, 1952) schrijft geen hermetisch gesloten poëzie maar gedichten waarin hij kan wonen. Daarom noemt hij zichzelf met een knipoog naar Franz von Suppé 'dichter en bouwer'. Zijn poëzie onderzoekt in een ogenschijnlijk heldere taal de betekenis achter mensen en dingen en de plaats daarin van de dichter. Rogier de Jong publiceerde in diverse literaire tijdschriften, waaronder Tirade, De Brakke Hond, Ballustrada en Meander Magazine. In 2018 bereikte hij de top honderd van de Turing Gedichtenwedstrijd. Voorjaar 2019 is bij uitgeverij Liverse zijn debuutbundel 'Memento' verschenen.
2018
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    3224

    Amy

    1e ronde
    De laatste keer dat ik een
    wijnhuis verliet verongelukte
    ik bijna omdat de dood
    meereisde in kartonnen dozen.
     
    Ik was afgedaald naar 
    catacomben waar de glazen
    schedels hoog opgetast
    lagen op rekken en vlonders.
     
    Sindsdien mijd ik die
    spelonken waar op
    houten katafalken het
    onheil rijpt in het donker.
     
    Maar toen kwam jij met
    je stem. Beneveld
    dronk ik je fust leeg vol
    bitterzoete amandel.
     
    O Amy, je naam was je noodlot maar
    onder je schubben zat een godin.
    Jij slang met je fluwelen giftanden
    ik heb je vastgeprikt in mijn pantheon.
  • 2
    3226

    Beste Joseph B.

    1e ronde
    Jij was dus die mof die met
    Stuka en al naar beneden kwam
    en door nomaden werd
     
    gered met vilt en met vet.
    Met huid en haar en een
    hoed op je zilveren kop
     
    stuurde je je boodschappen de
    wereld in ponste je je kaarten,
    smeerde je je anarchistische
     
    boodschappen door onze strot.
    Jij bent dus die bom die uit
    Adolfs slangennest is gevallen.
     
    Het nazi-ei dat een reus baarde.
    Een reus die opdook uit
    een Teutoonse pot.
  • 3
    3227

    De tijd

    1e ronde
    De tijd is een dolle maagd die
    behaagt en belaagt. Iedereen wil
    haar hebben, niemand wil haar zijn.
     
    Hoe zij koketteert op kalenderbladen
    met haar vlakke boezem
    de hoop op ouderdom voedt in
     
    gezondheid. Hoe zij met messcherpe
    sneden de jaren bewaakt die voor ons
    zijn weggelegd. Hoe zij in wreedheid
     
    de kuddes hoedt, geschiedenis
    schrijft en zonder aanziens des
    persoons iedereen inlijft hoe zij 
     
    herinneringen vervormt en dan weer
    tot ons komt in een langzame wals
    van bedachtzaam plezier.
     
    De tijd is een dier een
    gewetenloos schepsel
    een schuldeloze vampier.
  • 4
    3228

    Indian summer

    1e ronde
    Het is warm voor de tijd van het
    jaar: de zon staat laag aan de hemel.
     
    Overal waar ik ga is er dat schelle licht
    dat mijn verlangen hindert naar

    schemering en rusteloos de hulpeloze
    hand boven mijn ogen ontwijkt.
     
    Het is vreemd dat de naderende duisternis
    zich laat kennen met nietsontziende fotonen.
     
    Ik hoor zr. Maria Confidence in haar donkere
    habijt: de hemel is geen plek en nabij.
  • 5
    3229

    Man en paard

    1e ronde
    Inderdaad: je hebt niet om
    het leven gevraagd. Je
    bent ermee opgezadeld,
    het was een geschenk.
     
    De gevers nemen het niet
    terug want ze zijn dood
    of ze zeggen: een gegeven
    paard kijk je niet in zijn bek.
     
    Er zit dus niks anders op dan je
    hoefijzers te tellen en stapvoets de
    dagen tot je te nemen met soms de
    wilde overmoed van een kalme galop.
  • 6
    3230

    Nabranders

    1e ronde
    In juni 1977 zag ik ze boven
    Groningen vliegen: de straaljagers
    met hun nabranders aan.
     
    Vuurspuwende draken die een
    trein moesten halen die door de
    geschiedenis was gekaapt.
     
    Het verleden vloog over mijn
    hoofd heen en ik schreeuwde
    mijn verontwaardiging uit over
     
    de schennis van mijn maagdenvlies
    de ontheiliging van mijn luchtruim
    mijn smetteloze hooghartige vlag.
  • 7
    3231

    Op een dag als vandaag

    1e ronde
    Op een dag als vandaag
    zou ik schoon schip willen
    maken. Zou ik mijn lei
     
    willen wissen en weer van
    voren af aan willen beginnen.
    Op een dag als vandaag
     
    zou ik mijn schulden
    willen kwijtschelden en
    de eerste steen werpen
     
    naar de eerste zonde die
    hondsbrutaal zijn horentjes boven
    de zuivere aarde uitsteekt.
  • 8
    3232

    Orion

    1e ronde
    Vanavond zag ik je weer aan de
    hemel staan: Orion, de zandloper,
    het wintergesternte.
     
    Het was alsof je me wilde zeggen:
    laat alle hoop varen. Het wordt
    weer een winter vol onvrede.
     
    Ja, die koude maanden met hun
    kale skeletten, die Calvarieberg
    vol nachtdagen en priemende

    ijsbloemen. Het tikken van
    de klok, het wentelen der
    planeten: steeds weer die glijbaan,
     
    dat koudvuur. Eigenlijk zit elke winter
    vol onbehagen. Het jaar gaat dood en
    ik weet niet of ik het aankan om steeds
     
    weer nieuwe hoop te putten uit
    oude kansen en de zon aan te
    jagen in een piepjonge eeuw.
  • 9
    3234

    Pasen 2018

    1e ronde
    Vandaag was ik even wankel
    herboren – kalfje dat door
    de wei struikelt nog nat van het
    vruchtwater van moeder koe.
     
    Ik had iets ontdekt dat belangrijk
    was en dat ik eerlijk gezegd was
    vergeten en misschien ook wel
    niet echt wilde weten.
     
    Omdat ik doof was hoorde ik niet
    wat gezegd werd maar wel wat
    verzwegen werd, ik had mezelf
    binnenstebuiten gekeerd.
     
    Vandaag was ik even de koning te rijk
    in dit koninkrijk met een dagburgemeester
    in deze monarchie zonder hiërarchie in
    deze paaswake met dartele oren.
  • 10
    3235

    Seinpost

    1e ronde
    Ik vrees dat mijn wilde haar al
    vroeg uitviel. Mijn vrienden
    hieven hun vuist hoog en ik zoog
     
    Hans Lodeizen op. Ver van de
    woedende kudde zag ik haar
    fakkels verflauwen en hoorde
     
    ik haar spreekkoren jouwen
    – ik, de afvallige zonder
    pilaarheilige zocht naar
     
    een venster, een seinpost,
    een schijngestalte met fijnbesnaard
    goud in de mond.
  • 11
    3237

    Sonnet nr. 5

    1e ronde
    Het is zo stil in het nachtelijk dorp
    dat ik mijn bloed hoor ruisen tussen mijn slapen.
    Een scheefgezakt verkeersbord
    houdt de wacht – baken
     
    voor verkeer dat niet meer komt
    en dat, om zijn overbodigheid uit te dragen,
    zich laat bestijgen door klimop
    die er ooit een boom van hoopt te maken.
     
    Een koe in de verte blaast op haar hoorn.
    Het is september, de combines zijn verdwenen.
    De velden zijn leeg, geoogst is het koren.
     
    De ruisende zee, de verloren
    roep van klagelijk vee –
    de nacht is een schelp op mijn oren.
  • 12
    3238

    Sonnet nr. 8

    1e ronde
    Natuurlijk weet ik niet hoe het zal gaan
    en ook niet waar en wanneer.
    Ik denk soms dat er een nevel ontstaat
    en dat er een bootje opdoemt op een meer.
     
    De veerman is geen slecht mens
    hij bedient slechts de oeroude spanen.
    Iemand moet het doen en hij zal me clement
    maar onverbiddelijk naar de overkant varen.
     
    Als ik aan boord ga is het zeer
    stil, ik voel een vreemde beklemming.
    Ik weet dat ik dit niet heb geleerd:
     
    de oever verlaten en terugkeren
    naar een vergeten bestemming –
    een verduisterd vuurbaken passeren.
  • 13
    3239

    Thuis

    Top 1000
    Er is weer een
    gedicht thuisgekomen.
     
    Het is lang onderweg geweest
    en heeft vreemde pakhuizen
     
    verkend maar wist steeds
    de juiste uitgang te vinden.
     
    Nu is het terug en legt zijn
    prooi voldaan voor me neer.
     
    Spinnend schuurt het zijn
    kop langs mijn benen.
  • 14
    3240

    Verjaardag

    1e ronde
    Mijn verjaardag is aangebroken
    als een internationale dag. De
    vlaggen hangen uit en de koffers
     
    staan klaar voor vertrek. Niet om
    het een of ander maar voor het
    geval dat. Want je weet het maar
     
    nooit met een feest: soms wil je
    ergens heen vanwege een gevoel
    en niet omdat je een doel hebt.
     
    Jarig zijn is een voorbijrazend
    station. Een verschietende
    plaatsnaam. Een ongrijpbare klok.
  • 15
    3241

    Waarom ik van spoorwegen houd

    Top 100
    Eigenlijk kun je heel goed
    diagonaal reizen. Je neemt
    een meetlat en trekt een
    schuine lijn over de kaart.
     
    De plaatsen die je doorsnijdt
    doe je liefdevol aan. Je dwaalt
    niet af want dat is niet vaardig:
    de verwarring
     
    die je zaait als je van
    je pad afwijkt wordt duur
    betaald. Smal is de weg en
    recht ben je geschapen.
     
    Wijk niet af, wees niet
    laf. Volg je spoor,
    grijp de einder. Dien
    je gietijzeren liniaal.
  • 16
    3242

    Wat ik wilde

    1e ronde
    Laatst dobberde ik weer op zo’n
    zee van gewoon. De gekte woonde
    op eilanden waar geluk iets was
    wat je kon wegleggen en de
     
    hekken camera’s hadden die elkaar
    opnamen. De zee klotste het eiland
    onder en het eiland kotste de zee
    onder en zo verder. Ik wilde het eiland
     
    verdrinken en de zee dempen. Ik
    wilde visserslatijn horen, sterrenstof
    ademen – ik wilde het onderste uit de
    kan halen en in zotheid verzuipen.
  • 17
    5698

    Nauwelijks of nog minder

    Top 1000
    Er was een tijd dat vliegtuigen
    gebouwd waren om neer te
    storten. Heathrow rijmde op
    deathrow en als ik instapte

    zag ik een archeologische
    vondst die knap opgelapt was
    maar niet luchtwaardig genoeg.
    Ik overleed al op aarde, nog

    voor de hemel bestormd was.
    Als we dan in NY of LA aan
    de grond waren genageld, de
    rokende remsporen gewist

    door oceaanregen, werd ik
    bevangen door liefde. Ik wilde
    trouwen met de gezagvoerder
    een katje zijn in zijn schoot.

    Hoe dat verdwijnt is een lied.
    Ik denk nauwelijks of helemaal
    niet. Ik denk niet of nog minder. 
    Nee, ik denk niet.
2017
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    7487

    Neem de dingen

    1e ronde

    Ik neem de dingen
    zoals ze zijn. Dat

    wil zeggen: zoals ze
    zich aan mij voordoen.

    De grote vraag daarbij
    is of de dingen er zelf

    zijn of dat ik ze maak.
    En als ik ze maak,

    kan ik ze dan nog
    nemen zoals ze zijn,

    of neem ik ze
    zoals ik ze maak?

    Is dit een gedicht?
    Ik weet het niet.

    Ik neem het zoals
    het is. Zoals
    het mij verliet.
  • 2
    7489

    Lola rent

    1e ronde
    Laatst waren we op straat
    iemand aan het reanimeren.
    Een jonge vrouw kwam eraan.
    Oordopjes in, sportkleding aan.
     
    Ze keek op haar smartphone en botste
    bijna tegen ons op. "Kut," zei ze.
    Lola! Mooi, ongetekend,
    zorgvuldig door de molenwieken
     
    ontweken, rent ze in haar vlijmscherpe
    oester dwars door de zwijnen.
    O, wat gun ik Lola haar
    parels. Wat houd ik van
     
    haar ongenaakbaarheid,
    haar onaanraakbaarheid,
    haar nieuwsgierigheid naar andere
    Lola's, haar onverschilligheid
     
    tegenover het oude, de glorie
    waarvan de glans is vergaan,
    het krimpende appeltje in de
    fruitschaal, het kwijnende,
     
    het verdwijnende, het koude.
    Jammer dat we niet weten
    waar en wanneer we sterven.
    Lola moet rennen.
     
    We mogen haar hand niet lezen,
    niet haar toekomst voorspellen.
     
     
     
     
     
     
  • 3
    7493

    Langzame trein

    1e ronde
    Er komt een erg
    langzame trein aan.
    Zijn stoomfluit gilt,
    hij nadert de bocht.

    Aan boord zitten de goden
    achter een kop gouden thee.
    His Bobness himself
    staat schreeuwend voorop.

    Hij zwaait met zijn hoed.
    Waar waarschuwt hij voor?
    Een kapotte wissel? Een
    afslag naar Babylon

    waar het geld heerst
    en de sjeiks neusringen
    dragen? Waar de
    leugen regeert?

    Bob, o Bob, ik zie wat je doet.
    Je vlagt met het eerste gebod.
    Ik heb je mijn aanbidding gegeven.
    Je geeft me psalmen terug.
     
     
     
     
  • 4
    7496

    De kunst van het fietsen

    1e ronde
    Opeens was er een
    rijwiel: een zwart klimrek
    met jasbeschermers
     
    en een dynamo. Men zwom
    zich nog voort, maar water
    werd algauw tegenwind,
     
    kieuwen werden molenwieken.
    Daarna kwamen de motoren.
    De stemverheffing
     
    des volks: ach, een
    wielrijder. Hoe anno!
    Maar wie is er nu sterk?
     
    Wie raakt er verblind en
    wie spaart voor een goudvis?
    Zie, ik fiets. Ik ben
     
    boven water. Mijn benen
    bemalen de lucht. Mijn
    zweet is mijn zwemwater.
     
     
     
     
     
     
  • 5
    7501

    Het vlakke land

    1e ronde
    Soms vind ik het jammer dat bijna
    nergens in Nederland gesteente
    boven de grond uitkomt.
     
    Dat de kloven en dalen diep
    onder onze voeten bedolven
    zijn door een dikke laag grond.
     
    De vlakte waarop wij
    leven staat getekend
    op ons gezicht.
     
    Effen bezien wij de wolven
    aan onze kust. En de golven,
    in het Hollandse licht.
     
    Calvijn is niet onze
    aartsvader. Wij zijn
    geboren uit sediment.
     
    Klei is de god die onze
    voetsporen vult en onze
    voetstappen dempt.
     
     
  • 6
    7504

    In poëzie kan ik wonen

    Top 1000
    In poëzie kan ik wonen.
    In verhevenheid
    vind ik mij niet.
     
    Tijdig ben ik aan
    de slag der gulden
    sporen ontkomen.
     
    De zwaarden en dode
    paarden staan me nog
    helder voor ogen.
     
    Op de Olympus, waar de goden
    wonen, is de lucht ijl en
    het hart niet gezond.

    Vlees en bloed gedijen
    er niet. Blijf onder
    de boomgrens,
     
    waar het onkruid
    de stervelingen wild
    op de mond kust.
     
    Kijk, het is mei. Het leven
    ontkurkt zich. De hemel
    lonkt naar de dampkring.
     
    De goden willen vallen.
    Ze bereiden zich voor op
    een fluweelzachte landing.