Biografie van Sarah Oortgijs

Nog geen profiel opgegeven.
2019
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    7671

    Ontsloten

    1e ronde
    In plaats van bloed, loopt er een zandpad door mijn aderen

    omsloten door schrikdraad om de lammeren op hun plaats te houden. De boerderij jongens grepen grijnzend de stroomdraad. Zoals ze later je pols beet zouden pakken om je huid twee kanten op te draaien en dat prikkeldraad noemden. De vader liep met zijn hoofd over het zand gebogen, zijn ogen zochten fossielen.

    Lente was het. De zussen maakten radslagen op het pad, waarbij hun jurken naar beneden waaierden; de moeder zag de wereld op zijn kop en zong haar zelfverzonnen lied.

    Het werd zomer. We zwommen in een zandafgraving en bouwden hutten in het gat dat ontwortelde bomen achterlieten. Met onze natte ruggen op losgescheurde repen diepgroen mos (zacht als de neus van een ezel) zogen we zij aan zij het sap uit zelfgemaakte waterijsjes.

    De herfst kwam. Waarin we de vader 500 eikels hielpen zoeken tussen de natte bladeren en het er nooit meer werden dan 499, al bleven we rapen.

    Tot de winter kwam. Waarin de vader en de moeder luidkeels woorden hadden, waarna we tussen kale bomen woordeloos wandelden.

    Die winter werd de met ijs beslagen wereld een glazen bol, waardoor je voorbij het pad kon kijken. Naar alle paden die in het verschiet lagen. Naar hoe hard het ijs zou smelten en de bomen zouden branden. Naar het bewegen en verstommen van de mensen. Naar alle routes die je af zou leggen; de toppen, de dalen, de vlaktes. Op één been de halve wereld rond.

    Het andere hinkelbeen zweeft nog altijd boven het zandpad. Het kind dat aan het been vastzit werpt loom een steentje de zon tegemoet. De hond snuffelt er kwispelend aan, zijn snuit rood van de braamstruiken.
2017
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    10071

    Kistkalf

    Top 100
    De kieteldood kwam onverwachts.

    Een donker gat gaapte achter de schuifdeur. Voor de rand deinsde ik terug, maar je nam me bij de hand
    en even later voelde ik zoals beloofd de zachte neus van het kalf. Een ruwe haal van zijn tong over mijn wang.
    We lachten lang, je kietelde me tot ik slap werd.
    ‘Sneeuwwitje, met je huid zo wit als sneeuw, haren zwart als ebbenhout en lippen rood als bloed,
    nu moet ik je wel wakker kussen.’
    In het stro schoof je mijn voeten naast elkaar en ving mijn hoofd op in je handen alsof het een kommetje was.
    Daarna likte je mijn gezicht eruit: romig en vloeibaar als melk.

    Ik voelde me luchtig als een wolkentoetje.

    Maar nu mijn hoofd leeg was schraapte een langere tong, stuggere tong over mijn bodem.

    Hij bewoog, zoals ik de poot van het ongeboren kalf door het vlies had zien breken, in tegengestelde richting, schoks-
    gewijs over de stramme rand. Het doffe stoten kende ik ook, van de botte, beknotte stierenhoorns, die –
    omdat er nu wel leven, maar nog steeds geen licht was – tevergeefs op de omheining inbeukten.  
    Niet meegeven, niet meegeven, Een hoorn, scherpe hoorn priemt zich in mijn binnenkant, maar ik heb houten wanden,
    als een kist. Ik lijk dood, maar ik slaap en niets of niemand dringt nog tot mij door.

    Tot je je afzette tegen mijn ribben. Een spaander knapte. Ik schreeuwde.
    Jij verloor je geduld. ‘Waar moest je je dan vasthouden?’

    Ik had werkelijk geen idee; waarom ik zo onhandig in elkaar zat.
    Nu ik dan toch een kist was, waarom zat er dan ter hoogte van mijn midden geen handvat? 

    In plaats daarvan spreidden mijn ribben zich als een vermolmde tak onder jouw handen, die tevergeefs
    naar houvast zochten, in de leegte erachter.