Biografie van Kristien Spooren

Nog geen profiel opgegeven.
2018
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    2707

    Kikkererwten

    Top 100
    Ik wou dat kikkererwten konden kwaken.
    Ze zegt het zonder verpinken.
    Legt de bonen op dezelfde helft van het bord.
    Knikkert ze één voor één naar de overkant.

    De tafel wankelt.
    Het is de eerste keer dat ze met haar eten speelt.
    Ze kijkt uit het raam.
    Kiest de langste rijstkorrels uit
    en turft alle mensen die voorbij komen.

    Er is niemand die naar haar kijkt.
    Het is stil in huis.
    Ze hoort alleen de stemmen die zwijgen.
    Ik wou dat kikkererwten konden kwaken.

    Ze kookt water om de fluitketel te horen.
    Laat de diepvries te lang open staan
    omdat ze weet dat die gaat piepen.
    Draait de radio op het geruis tussen twee posten.
    Post één: een praatprogramma.
    Post twee: het weerbericht.

    Het gaat stormen.
    Ze had geleerd te tellen hoe ver het onweer was.
    Eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig.
    Ze deed het ook als mensen uitbarstten.
    Eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig.
    Telde de seconden tussen het roepen
    om te weten of ze nog veilig was.

    Ze loopt naar het gasvuur.
    Ziet wortelschijfjes in kookvocht.
    Denkt aan munten in een wensput.
    Ik wou dat kikkererwten konden kwaken.

  • 2
    3418

    Pompoensoep

    1e ronde
    Ik wil mijn huis niet besmeuren met de kruimels van een eetstoornis.
    Ik wil mijn dromen niet meer invriezen.
    Geen muren bouwen in de woonkamer.
    De geur van honger niet meer ruiken.

    Ik wil mijn letters op de koelkast schilderen.
    Ik wil de dampkap horen sissen.
    Ik wil broden bakken die je in hompen breekt
    en groenten koken, gekrulde groenten, uitgeholde.
    Ik wil zelf niet meer uitgehold zijn.

    Ik wil mijn huid als een deken rond mijn botten wikkelen.

    Dit is mijn lichaam.
    Dit zijn mijn ogen waarmee ik naar de wereld kijk.
    Als je lang genoeg wacht,
    zie je mijn pupillen van kleur veranderen.
    Dit zijn mijn enkels die ik naar me toe kan trekken.
    Dit zijn de toppen van mijn tenen.
    Ze raken de grond als ik op mijn fiets aan een rood licht sta.

    Dit is mijn buik die ademt op het ritme van mijn vader.

    Dit is mijn lijf dat nog weet
    hoe vreemde handen er een plattegrond op tekenden.
    Ik wil mijn lichaam dichtritsen
    zodat niemand er nog aan kan.

    Dit is mijn pijn.
    Blijf eraf.
    Ik wil mijn hartslag niet om hulp horen schreeuwen.

    Ik wil een bed dat zo hoog is
    dat ik eronder kan kruipen als ik bang ben.
    Ik wil een zetel om mijn vrienden in te leggen.
    Dit zijn mijn vrienden.

    Ik wil een nest gemaakt van warme woorden.
    Van kastanjebladeren.
    Van wintereiken.
    Ik wil een huis om in te zeggen:
    Ik zal altijd pompoensoep voor je maken.
    Ik wil mijn dromen niet meer invriezen.
    Geen muren bouwen in de woonkamer.
    De geur van honger niet meer ruiken.

    Ik wil mijn letters op de koelkast schilderen.
    Ik wil de dampkap horen sissen.
    Ik wil broden bakken die je in hompen breekt
    en groenten koken, gekrulde groenten, uitgeholde.
    Ik wil zelf niet meer uitgehold zijn.

    Ik wil mijn huid als een deken rond mijn botten wikkelen.

    Dit is mijn lichaam.
    Dit zijn mijn ogen waarmee ik naar de wereld kijk.
    Als je lang genoeg wacht,
    zie je mijn pupillen van kleur veranderen.
    Dit zijn mijn enkels die ik naar me toe kan trekken.
    Dit zijn de toppen van mijn tenen.
    Ze raken de grond als ik op mijn fiets aan een rood licht sta.

    Dit is mijn buik die ademt op het ritme van mijn vader.

    Dit is mijn lijf dat nog weet
    hoe vreemde handen er een plattegrond op tekenden.
    Ik wil mijn lichaam dichtritsen
    zodat niemand er nog aan kan.

    Dit is mijn pijn.
    Blijf eraf.
    Ik wil mijn hartslag niet om hulp horen schreeuwen.

    Ik wil een bed dat zo hoog is
    dat ik eronder kan kruipen als ik bang ben.
    Ik wil een zetel om mijn vrienden in te leggen.
    Dit zijn mijn vrienden.

    Ik wil een nest gemaakt van warme woorden.
    Van kastanjebladeren.
    Van wintereiken.
    Ik wil een huis om in te zeggen:
    Ik zal altijd pompoensoep voor je maken.
2016
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    9291

    Uitgeteld

    1e ronde
    Ik dobber van romantiek naar realisme
    en wenste dat we wetten waren,
    onze hoofden vatbaar in logica.
    “Mag ik ons uitrekenen?”
    Ik word wiskunde en wij
    een optelsom van functies.

    We zijn vermenigvuldigbaar,
    jij en ik de variabelen en wij
    het antwoord, de onbekende x.
    Ik wil ons bouwen op stellingen.
    “Zal je onvoorwaardelijk zijn?”

    Onze zijden zoeken een omtrek.
    We willen complementen zijn.
    We bestaan uit afgeleiden en bijna
    worden we vierkantswortels,
    ik van jij kwadraat en omgekeerd.

    We zullen verdrinken in axioma’s.
    “Laten we ademen,” zeg je en we
    ademen tot de tijd gaat kruipen.
    Ik teken ons in een venndiagram.
    De toekomst groeit uit potloodlijnen.
2013
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    2255

    Terugblik

    1e ronde

    De weg die voor ons ligt en bijna ten einde is

    Het geluid van voetstappen op onschuldige kiezelsteentjes

    Je knarsende tanden en je gejaagde ademhaling

    De angst en hunkering die ons vergezellen als een in zeepsop geboren luchtbel

    En ik

     

    De nieuwsgierige schimmen die een kijkje komen nemen

    Het onweerstaanbare licht van de bovenwereld, een magneet gelijk

    Het imaginaire ‘Wat als’ dat ons de adem lijkt te ontnemen als de slangen op Medusa’s hoofd

    De profetische druppel zweet die zich vanaf je nek, over je rug een weg naar beneden baant

    En ik

     

    Het klotsende water van de Styx die nu haast binnen handbereik ligt

    De verliefdheid en vrees die je overweldigen en langzaam je hoofd doen omdraaien

    Je ogen die zich traag in mijn richting keren

    Diezelfde ogen die verscheurd zijn van verdriet

    En ik

     

    Je radeloze schreeuw wanneer ik mezelf voel wegglijden

    Je mond die bang en vol afschuw woorden als ‘Ik hou van je’ roept

    Je handen die me tevergeefs proberen mee te sleuren

    De tranen die uit je ogen rollen bij het besef van verlies dat nu langzaam tot je doordringt

    En ik, Eurydice