Biografie van Kristien Spooren

Nog geen profiel opgegeven.
2019
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    1764

    op kousenvoeten

    Top 100
    ik had een opa zonder tenen.
    het hoorde bij ouder worden zoals haren verliezen.
    wandelen ging moeizaam, maar dansen niet.
    voor opa waren alle schoenen pointes
    om pirouettes mee te draaien.

    ooit had hij klompen waar hij niet mee danste,
    maar in de mijnen werkte.
    klompen, een houweel, een helm, een lamp.
    op bedevaart naar Lourdes turfde hij tralies in de lamp,
    alsof hij het licht gevangen wilde nemen.

    later droeg ik zijn pak voor carnaval,
    verkleedde ik me in een verleden
    dat heel wat stof deed opwaaien
    en de ogen van oma deden huilen.

    oma was suikerziek en opgeblazen.
    iedere dag moest ze haar lichaam lek prikken.
    ze liep ook leeg als ze haar adem uitblies
    en hem als een losgeslagen ballon de kamer rond stuurde.

    bij de kapper bewaarde ik haar witte krullen,
    maakte ik er wolken mee, een oma van waterdruppels.
    als ze regende, ving ik haar op in mijn handen.
    ze was een vijver die door mijn vingers glipte.

    soms lagen opa en oma op bed als kakkerlakken,
    met hun ledematen in de lucht.
    zijn hompen en haar voeten spartelden
    en haar tenen leken op cocktailworstjes.

    ze hielden van de zee en de meeuwen,
    van de walvissen die aanspoelden
    maar door niemand gezien werden.
    op blote voeten liet opa afdrukken achter
    die in twee richtingen konden wandelen.
    ze hielden schelpen aan hun oren
    en hoorden er hun hartslag in.
  • 2
    1765

    wisselgebit

    Top 1000
    ik bewaar mijn melktanden in een leeg filmroldoosje.
    soms puzzel ik mijn gebit weer bij elkaar,
    in mijn handen de vraag of een kindertijd
    zo makkelijk gereconstrueerd kan worden.
    snijtanden, hoektanden, kiezen.
    ik ben een zevenjarige met een tetrisglimlach.

    iemand zegt dat glimlachen met de jaren moeilijker wordt
    omdat je mondhoeken een zwaardere huid moeten duwen
    en dat als je krimpt, je centimeters op de grond vallen
    voor kinderen die grootmoeders rapen.

    terwijl ik wacht op definitieve tanden
    schud ik mijn kindertijd dooreen.
    op de schouw staat een grootmoeder
    die haar centimeters achterliet als broodkruimels.
  • 3
    1766

    verwoestijning

    Top 1000
    mijn navel past niet in die van mijn moeder.
    de mijne is hol, de hare ook.
    zo spiegelen we elkaar op een breuklijn die alsmaar groter wordt.
    haar huid kraakt omdat ze tegen de ouderdom vecht.
    op haar voorhoofd heeft ze loopgraven, onder haar ogen zandzakken.

    in de supermarkt zoek ik vrouwen die wel durven overstromen.
    ze moeten regendruppels snikken die oases van hun navels maken.
    ze moeten onze huiden polijsten met zandkorrels.
    ze moeten fata morgana’s zijn die de vorm van moederlijven aannemen.

    ik wil hen vragen om me opgevouwen in de kast te leggen
    voor een winterslaap tegen de koude in ons huis.
    aan de kapstokken hangen zorgeloze zomers die te klein zijn geworden.

    een vader komt voorbij en denkt dat ik een hond ben.
    een vrouw met een rolkoffer zoekt een goede plek om te huilen
    en begraaft haar neus in mijn vacht.
  • 4
    1767

    klokhuis

    1e ronde
    de moeder van de buurjongen is onvoorwaardelijk.
    ze bakt appelcake, het deeg verkleurt. 
    de buurjongen schildert het bakproces
    in een zebrapad van waterverf.
    een nieuwe tint voor elke streep.
    oversteken doe je van geel naar bruin.

    de appels komen van een boom.
    ‘kijk,’ had moeder gezegd,
    en ze draaide het steeltje eraf,
    ‘we kunnen klokhuizen verzamelen.’

    wij kopen alleen twistappels.
    er zijn conflicten die zachtheid bang maken.
    wat weggegooid wordt, vergaat.
    daar heb ik geen klokhuizen voor nodig.
  • 5
    1768

    hamsteren

    Top 1000
    onder de hulst in de tuin 
    ligt een hamsterlijkje begraven. 
    ik ben acht als ik hem dood stap.
    het is niet mijn bedoeling.

    het is een Russische dwerghamster.
    donkergrijs met korte pootjes.
    de jongste zus heeft ook een hamster.
    de oudste zus een bruine cavia.
    we zitten op bed en laten ze rennen.
    vergeten dat.

    ‘ik ga plassen.’
    vier lettergrepen en dan gekraak.
    alsof er iets vermorzeld wordt.
    mijn schoenen zijn van lood.
    de hamster verkleurt.
    hij stuiptrekt, papa zegt dat ik 
    nog een keer.

    in de tuin plant ik bloembollen en schuldgevoelens boven het lijkje.
    de hulst siert het graf met druppels bloed,
    een jaarlijkse herinnering aan mijn misdaad.
  • 6
    1769

    volwassen

    1e ronde
    ze kocht glitterstickers - dank je.
    ik schitter net zo hard - toch, mama?
    ze zwijgt, trekt zich terug in het washok
    waar een berg kleren op haar wacht.
    ik verfrommel mijn lichaam,
    vermom me in een stapel wasgoed.
    toch, mama?

    ik wil dat je me vastpakt, mama.
    was me met de hand.
    en als je dat niet doet,
    was me dan op zestig graden
    zodat ik krimp en in je armen pas.


    de wereld draait rond en rond en rond.
    de wasmachine piept.
    schitter ik nu, mama?
  • 7
    1770

    hagedis

    Top 1000
    op reis breekt papa de staart van een hagedis af.
    ‘die groeit toch terug,’ zegt hij.
    hij bewaart de staart in zijn portefeuille.

    boos klop ik mijn vuisten op zijn borstkas, 
    ik begrijp niet wat vervangbaarheid is.
    later legt hij uit dat hij 
    een andere dochter had gewild.

    ik heb lang geprobeerd
    om iemand te worden die je wil bijhouden. 

    met carnaval was ik een hagedisstaart.
    ik heb gebroken met mijn ouders 

    en wacht tot er een nieuwe familie groeit.
  • 8
    1771

    picknicken

    1e ronde
    we gaan picknicken tussen boshyacinten. 
    de bloemen zijn blauwer dan de lucht. 
    het brood kruimelt maanzaadjes
    die ik in mijn handen opvang 
    om er mijn huid mee te schuren.
     
    ik heb in mijn leven al in veel huiden gewoond. 
    meestal om mijn verpakking te verversen.
    soms tel ik de vingerafdrukken
    van de mannen die mijn lichaam hebben aangeraakt, 

    de voetstappen van vervaagde trauma’s.

    ik ruik mos en frisse loofbomen. 
    er priemen zonnestralen door het bladerdek 
    die kleine eekhoorns in slaap wiegen, 
    hun pluimstaarten als vogelnestjes 
    rond hun lijfjes gekruld. 
2018
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    2707

    Kikkererwten

    Top 100
    Ik wou dat kikkererwten konden kwaken.
    Ze zegt het zonder verpinken.
    Legt de bonen op dezelfde helft van het bord.
    Knikkert ze één voor één naar de overkant.

    De tafel wankelt.
    Het is de eerste keer dat ze met haar eten speelt.
    Ze kijkt uit het raam.
    Kiest de langste rijstkorrels uit
    en turft alle mensen die voorbij komen.

    Er is niemand die naar haar kijkt.
    Het is stil in huis.
    Ze hoort alleen de stemmen die zwijgen.
    Ik wou dat kikkererwten konden kwaken.

    Ze kookt water om de fluitketel te horen.
    Laat de diepvries te lang open staan
    omdat ze weet dat die gaat piepen.
    Draait de radio op het geruis tussen twee posten.
    Post één: een praatprogramma.
    Post twee: het weerbericht.

    Het gaat stormen.
    Ze had geleerd te tellen hoe ver het onweer was.
    Eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig.
    Ze deed het ook als mensen uitbarstten.
    Eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig.
    Telde de seconden tussen het roepen
    om te weten of ze nog veilig was.

    Ze loopt naar het gasvuur.
    Ziet wortelschijfjes in kookvocht.
    Denkt aan munten in een wensput.
    Ik wou dat kikkererwten konden kwaken.

  • 2
    3418

    Pompoensoep

    1e ronde
    Ik wil mijn huis niet besmeuren met de kruimels van een eetstoornis.
    Ik wil mijn dromen niet meer invriezen.
    Geen muren bouwen in de woonkamer.
    De geur van honger niet meer ruiken.

    Ik wil mijn letters op de koelkast schilderen.
    Ik wil de dampkap horen sissen.
    Ik wil broden bakken die je in hompen breekt
    en groenten koken, gekrulde groenten, uitgeholde.
    Ik wil zelf niet meer uitgehold zijn.

    Ik wil mijn huid als een deken rond mijn botten wikkelen.

    Dit is mijn lichaam.
    Dit zijn mijn ogen waarmee ik naar de wereld kijk.
    Als je lang genoeg wacht,
    zie je mijn pupillen van kleur veranderen.
    Dit zijn mijn enkels die ik naar me toe kan trekken.
    Dit zijn de toppen van mijn tenen.
    Ze raken de grond als ik op mijn fiets aan een rood licht sta.

    Dit is mijn buik die ademt op het ritme van mijn vader.

    Dit is mijn lijf dat nog weet
    hoe vreemde handen er een plattegrond op tekenden.
    Ik wil mijn lichaam dichtritsen
    zodat niemand er nog aan kan.

    Dit is mijn pijn.
    Blijf eraf.
    Ik wil mijn hartslag niet om hulp horen schreeuwen.

    Ik wil een bed dat zo hoog is
    dat ik eronder kan kruipen als ik bang ben.
    Ik wil een zetel om mijn vrienden in te leggen.
    Dit zijn mijn vrienden.

    Ik wil een nest gemaakt van warme woorden.
    Van kastanjebladeren.
    Van wintereiken.
    Ik wil een huis om in te zeggen:
    Ik zal altijd pompoensoep voor je maken.
    Ik wil mijn dromen niet meer invriezen.
    Geen muren bouwen in de woonkamer.
    De geur van honger niet meer ruiken.

    Ik wil mijn letters op de koelkast schilderen.
    Ik wil de dampkap horen sissen.
    Ik wil broden bakken die je in hompen breekt
    en groenten koken, gekrulde groenten, uitgeholde.
    Ik wil zelf niet meer uitgehold zijn.

    Ik wil mijn huid als een deken rond mijn botten wikkelen.

    Dit is mijn lichaam.
    Dit zijn mijn ogen waarmee ik naar de wereld kijk.
    Als je lang genoeg wacht,
    zie je mijn pupillen van kleur veranderen.
    Dit zijn mijn enkels die ik naar me toe kan trekken.
    Dit zijn de toppen van mijn tenen.
    Ze raken de grond als ik op mijn fiets aan een rood licht sta.

    Dit is mijn buik die ademt op het ritme van mijn vader.

    Dit is mijn lijf dat nog weet
    hoe vreemde handen er een plattegrond op tekenden.
    Ik wil mijn lichaam dichtritsen
    zodat niemand er nog aan kan.

    Dit is mijn pijn.
    Blijf eraf.
    Ik wil mijn hartslag niet om hulp horen schreeuwen.

    Ik wil een bed dat zo hoog is
    dat ik eronder kan kruipen als ik bang ben.
    Ik wil een zetel om mijn vrienden in te leggen.
    Dit zijn mijn vrienden.

    Ik wil een nest gemaakt van warme woorden.
    Van kastanjebladeren.
    Van wintereiken.
    Ik wil een huis om in te zeggen:
    Ik zal altijd pompoensoep voor je maken.
2016
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    9291

    Uitgeteld

    1e ronde
    Ik dobber van romantiek naar realisme
    en wenste dat we wetten waren,
    onze hoofden vatbaar in logica.
    “Mag ik ons uitrekenen?”
    Ik word wiskunde en wij
    een optelsom van functies.

    We zijn vermenigvuldigbaar,
    jij en ik de variabelen en wij
    het antwoord, de onbekende x.
    Ik wil ons bouwen op stellingen.
    “Zal je onvoorwaardelijk zijn?”

    Onze zijden zoeken een omtrek.
    We willen complementen zijn.
    We bestaan uit afgeleiden en bijna
    worden we vierkantswortels,
    ik van jij kwadraat en omgekeerd.

    We zullen verdrinken in axioma’s.
    “Laten we ademen,” zeg je en we
    ademen tot de tijd gaat kruipen.
    Ik teken ons in een venndiagram.
    De toekomst groeit uit potloodlijnen.
2013
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    2255

    Terugblik

    1e ronde

    De weg die voor ons ligt en bijna ten einde is

    Het geluid van voetstappen op onschuldige kiezelsteentjes

    Je knarsende tanden en je gejaagde ademhaling

    De angst en hunkering die ons vergezellen als een in zeepsop geboren luchtbel

    En ik

     

    De nieuwsgierige schimmen die een kijkje komen nemen

    Het onweerstaanbare licht van de bovenwereld, een magneet gelijk

    Het imaginaire ‘Wat als’ dat ons de adem lijkt te ontnemen als de slangen op Medusa’s hoofd

    De profetische druppel zweet die zich vanaf je nek, over je rug een weg naar beneden baant

    En ik

     

    Het klotsende water van de Styx die nu haast binnen handbereik ligt

    De verliefdheid en vrees die je overweldigen en langzaam je hoofd doen omdraaien

    Je ogen die zich traag in mijn richting keren

    Diezelfde ogen die verscheurd zijn van verdriet

    En ik

     

    Je radeloze schreeuw wanneer ik mezelf voel wegglijden

    Je mond die bang en vol afschuw woorden als ‘Ik hou van je’ roept

    Je handen die me tevergeefs proberen mee te sleuren

    De tranen die uit je ogen rollen bij het besef van verlies dat nu langzaam tot je doordringt

    En ik, Eurydice